Ongelijkheid in Nederland groeit en links kijkt toe

Net als in de VS ontstaat er in Nederland een nieuwe asociale bovenklasse, die zich inzet om overheid en belastingdruk zo beperkt mogelijk te houden. De politiek – ook links – laat het maar gebeuren, meent Marcel ten Hooven.

Illustratie Hajo

Is ongelijkheid tussen mensen, hoe onvermijdelijk ook, afkeurenswaardig? Over het gelijkheidsideaal zei econoom Jan Pen kortweg: „Waarom dat moet? Daarom!” In zijn Willem Dreeslezing in 1991 noemde Pen, een sociaal-democraat die zichzelf karakteriseerde als ‘belijdend egalitarist’, de ongelijkheid onder mensen ‘gewoon lelijk’. Niettemin zag ook hij een andere kant. „Ik zou tot een zekere mildheid willen adviseren. Extreme rijkdom heeft ook aardige kanten: iemand moet toch in staat zijn om een particuliere schilderijenverzameling aan te leggen of oude landgoederen in stand te houden.” Echt lelijk voor de mensen was het ‘reëel bestaande socialisme’ in het Oostblok, het enige politieke systeem dat gelijkheid als hoogste doel had, maar dat ideaal als dekking gebruikte om het regime van een almachtige, repressieve staat te vestigen, waarin de vrijheid eraan moest geloven.

Doet de politiek er dus beter aan niet al te zware middelen tegen ongelijkheid in te zetten, voor zover er hier überhaupt sprake is van een probleem dat actie vergt? Het altijd terugkerende, fundamentele debat in democratieën is dat over de optimale verhouding tussen vrijheid en gelijkheid. Dat debat heeft in de westerse wereld het laatste jaar aan intensiteit gewonnen, na de publicatie van Capital in the Twenty-First Century van de Franse econoom Thomas Piketty. De trend dat de rijken steeds rijker worden en de armen armer is inherent aan het kapitalisme, betoogt hij.

Zijn tegenstanders menen dat het sop de kool niet waard is. In NRC Handelsblad sprak Marike Stellinga in dit verband bijvoorbeeld van „het muffe stof van de jaren zeventig”. Piketty’s opponenten werpen tegen dat de groeiende vermogensongelijkheid niet echt een probleem is als we verder allemaal genoeg inkomen hebben om prettig te kunnen leven en de overheid de grootste risico’s heeft afgedekt. Daar zit wat in, ware het niet dat de overheid zich sinds de opkomst van het neoliberalisme in de jaren tachtig allengs terugtrekt als corrigerende en beschermende actor.

Internationaal heeft vooral de liberalisering van de financiële markten het kapitalisme ontketend, met als gevolg dat het naoorlogse bestand tussen kapitaal en arbeid verstoord raakte. Sindsdien, zo toont Piketty aan, is het kapitalisme teruggevallen in zijn klassieke trend van een groeiende ongelijkheid tussen de kapitaalbezitters en de mensen die van een arbeidsinkomen leven.

In de recente studie Hoe ongelijk is Nederland? schetst de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) de gevolgen voor ons land. Gecorrigeerd voor inflatie is het gemiddelde huishoudinkomen de afgelopen veertig jaar nauwelijks toegenomen. De topinkomens daarentegen explodeerden. Iemand op dat niveau verdient inmiddels 52 keer het minimumloon. De rijkdom concentreert zich bovendien steeds meer bij de mensen met bezit. Inmiddels is 60 procent van het vermogen in Nederland in handen van 10 procent van de bevolking. Tegelijkertijd gaat een groeiend deel van de mensen met alleen een inkomen gebukt onder schulden. Daarmee behoort Nederland tot de landen met de grootste vermogensongelijkheid.

De vraag hoeveel ongelijkheid een democratie kan verdragen is dus wel degelijk actueel. Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 is economische stagnatie voor het ene deel van de bevolking een pijnlijke reële ervaring en valt het andere deel een steeds uitbundiger rijkdom ten deel. In de vorm van hogere belastingen en minder voorzieningen zijn de kosten van de crisis van het financiële kapitalisme verhaald op de mensen die het van hun inkomen moeten hebben. Vermogende mensen zijn de dans ontsprongen en er zelfs op vooruitgegaan.

De spanning die daarmee ontstaat kan zich op het bestel ontladen, bijvoorbeeld doordat mensen meer tegenwicht tegen deze ontwrichtende ontwikkeling verlangen van een overheid die aan sturingsmacht heeft ingeboet. Dat wringt. Teleurgestelde verwachtingen maken de democratie wispelturig, ongedurig, met een steeds snellere wisseling van politici die kortstondig in de gunst zijn en even snel weer in ongenade vallen.

Dat is een van de redenen waarom de toenemende ongelijkheid een probleem voor de democratie vormt. Een andere is het dreigende perspectief van het ontstaan van een nieuwe asociale klasse, niet in de maatschappelijke onder- maar in de bovenlaag. In De geest der wetten schreef Montesquieu al: „Liefde voor de democratie is liefde voor gelijkheid”. Tweeënhalve eeuw na zijn publicatie in 1748 heeft dat boek in zijn beschouwingen over de gelijkheid als voorwaarde voor democratie nog niets aan actualiteit ingeboet. Overdaad schaadt, óók in een democratie.

Volgens Montesquieu was verschil in rijkdom gerechtvaardigd zolang dat de vrucht was van de inzet van talenten of de deugd van soberheid, dus niet het resultaat van vermogensaanwas. Hoewel hij daarin niet al te rigide te werk wilde gaan, om dictatoriale praktijken te voorkomen, pleitte hij voor het ‘gladstrijken’ van ongelijkheden, door het opleggen van lasten aan de rijken en het bieden van verlichting aan de armen. Overmatige rijkdom en ongerechtvaardigde ongelijkheid kunnen een democratie schaden, waarschuwde hij: „Naarmate de weelde zich steviger vestigt, richt de aandacht zich meer op het eigenbelang. Een door weelde verdorven hart keert zich weldra tegen de wetten die het als hindernissen ervaart.”

Dat is ook voor onze tijd een van de opmerkelijke bevindingen in de studie van de WRR. Daaruit blijkt dat toenemende ongelijkheid het vertrouwen in de instituties van de democratische rechtsstaat, zoals het parlement, politieke partijen en het rechtssysteem ondergraaft, maar dan vooral bij de mensen die het meest te verliezen hebben, de hogere statusgroepen.

De nieuwe asociale klasse is in de meest letterlijke zin asociaal, dus maatschappelijk ongebonden, met haar opvatting dat zij haar succes vooral aan zichzelf dankt en dat maatschappelijke bindingen eerder hinderlijke barrières voor het eigen welbevinden zijn dan nuttig. Niet het ‘welbegrepen eigenbelang’ drijft haar, de idee dat wat de welstand van de samenleving ten goede komt ook goed is voor het individu, maar het ‘egoïstische eigenbelang’. Dat maatschappelijk isolement veroorzaakt een gebrek aan betrokkenheid bij de democratie, waarin van de burger juist wordt verwacht dat hij zijn eigen belangen afweegt tegen die van anderen en dan zijn stem uitbrengt op een partij die een vergelijkbare afweging maakt.

De WRR-conclusies over de democratische scepsis onder de hogere statusgroepen bevestigen dit beeld. Geld en macht bepalen het verschil met de kansloze mensen die gewoonlijk als onmaatschappelijk te boek staan. De nieuwe asociale klasse heeft zich met haar bezit een positie verworven waarin zij overheid noch publieke voorzieningen nodig heeft om zich te redden. Voor zover zij zich met de politiek inlaat, is het om de belastingdruk zo laag mogelijk en de overheid zo klein mogelijk te maken, ook al gaat dat ten koste van voorzieningen die voor anderen juist een steun in de rug zijn.

In de Verenigde Staten is dat inmiddels een vertrouwde aanblik. In The Price of Inequality schetst Joseph Stiglitz hoe de politieke meerderheid in de VS als belangenbehartiger van de vermogende Amerikanen optreedt. Grotere ongelijkheid is volgens hem dus geen onvermijdelijke ontwikkeling, maar het directe, bewust nagestreefde doel van de politieke invloed die de rijken uitoefenen op wetgevende en regulerende processen.

President Obama is zich van deze ontsporing bewust, getuige zijn uitspraak dat ongelijkheid „the defining challenge of our time” is, maar hij staat tegenover een machtige tegenstander. Warren Buffet, nummer 3 op de lijst van ’s werelds rijksten, sprak al eens openlijk over de nieuwe klassenstrijd die hij zag woeden, om eraan toe te voegen: „En mijn klasse staat op het punt die strijd te winnen”. Multimiljonair Henry Kravis zei dat hij terecht minder belasting betaalt dan zijn werkster omdat de economie daar beter mee af is. Zo gaf hij het oneerlijke de gedaante van het nuttige.

Zijn dat louter Amerikaanse toestanden? Nee. In de nasleep van de financiële crisis van 2008 heeft ook Europa kennisgemaakt met de macht van het kapitaal. Hoewel de banken zelf de hoofdschuldigen waren van de crisis, slaagden zij erin de rekening voor hun falen door te schuiven naar de belastingbetalers. Op het dieptepunt van de crisis hield de financiële sector de Europese overheden bovendien in zijn greep met de beslissende invloed die hij op de financierbaarheid van de staatsschulden uitoefende. De kapitaalverschaffers dreigden probleemlanden als Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje en Italië met terugtrekking van het financieringskapitaal zodra de regeringen niet naar hun pijpen dansten, hoe groot het sociale leed in deze landen door de geëiste maatregelen ook zou zijn.

Er is dus een grens aan de ongelijkheid die een democratie kan velen. Een toenemend verschil in welvaart tussen de een en de ander ondergraaft het gevoel van lotsverbondenheid, waarmee een basisvoorwaarde voor een goed functioneren van de democratie in het geding is. Dat wegvallen van het besef van een gedeeld lot komt ook doordat groeiende ongelijkheid mensen blijkt op te sluiten in hun eigen klasse. De praktijk in de VS toont dat aan. In geen land in de westerse wereld is er zo weinig sociale mobiliteit als in Amerika. Hoe groter de ongelijkheid is, hoe kleiner de kans om te stijgen op de maatschappelijke ladder. Dat geldt ook andersom. In de landen met de minste ongelijkheid, in Scandinavië, is de sociale mobiliteit het grootst.

In een samenleving met harde scheidslijnen tussen maatschappelijke groepen verliest de democratie aan betekenis als proces waarin de gedeelde belangen van de burgers worden geformuleerd. Het is ook slecht voor de democratie als zich in de bovenlaag een asociale klasse manifesteert, een groep bevoorrechten zonder binding aan de publieke zaak. Gevoegd bij de onevenredige macht die het financiële establishment door de gebrekkige politieke tegenmacht kan ontplooien, zijn er redenen te over om de toenemende ongelijkheid in het brandpunt van het politieke debat te plaatsen.

Aan het begin van het nieuwe politieke seizoen ligt de munitie voor een ideologisch offensief met gelijkheid als brandpunt opgetast. Normaal gesproken zouden de komende coalitieonderhandelingen over een nieuw belastingstelsel daartoe alle aanleiding geven. Niettemin laat links het thema gelijkheid tot dusver liggen. De SP valt terug in conservatisme over de verzorgingsstaat en verbindt dat, net als de PVV, met dreigende vijandbeelden over Europa met zijn Brusselse ‘klauwen’. Voor de PvdA geldt dat zij niet meer weet wat zij over gelijkheid te zeggen heeft doordat ze niet meer weet wat ze wil. Als gevolg van de desastreuze ideeënarmoede in de top van de partij heeft de PvdA weinig steekhoudend principieel verweer tegen de toenemende maatschappelijke en materiële ongelijkheid.

Tekenend is dat in artikel 1 van het PvdA-beginselprogramma het woord ‘gelijkheid’ niet meer wordt genoemd, sinds het op last van Wouter Bos is geschrapt. Jan Pen draait zich om in zijn graf.