Nieuwe taal

Eindelijk weer eens een beetje goed nieuws. Volgend jaar ligt de vijftiende druk van de dikke Van Dale, het Groot woordenboek van de Nederlandse taal in de winkel. Een bericht dat me in mijn nopjes brengt. Wat zijn nopjes? In mijn exemplaar, dertiende uitgave, deel twee, pagina 2197 staat: „in zijn nopjes zijn [1717] oorspr. gekleed zijn in kleding met nopjes, in zijn schik zijn, vgl. noppen.” Daar lees ik: „(nieuwe) kleren, goed in de noppen, goed in de kleren”. Bij noppen kun je nog veel meer wetenswaardigs vinden, maar ik wil de verwarring niet vergroten.

Mijn eerste Van Dale, een exemplaar van de vijfde, geheel opnieuw bewerkte uitgave, 1914, heb ik van mijn vader geërfd, en hij had hem weer van zijn vader. Eén deel, 2.061 pagina’s in een leren band, op zo’n manier gebonden dat het bleef liggen waar je het had opengeslagen. Geen pagina’s die vanzelf terugbladerden zoals dat met gewoon gebonden boeken vaak gebeurt. En alles natuurlijk in de oude spelling.

Toen de nieuwe spelling, de ‘spelling Marchant’, werd ingevoerd, in 1934, zat ik in de tweede klas van de lagere school. Opeens had de regering beslist dat ik niet ‘zoo’ maar ‘zo’ moest schrijven en Nederlands in plaats van Nederlandsch. De publieke ruzies liepen hoog op, maar eerlijk gezegd, het kon me niets schelen. Zonder problemen is deze destijds 7-jarige overgegaan op de nieuwe spelling. Maar hoewel ik in de praktijk niets aan dat oude woordenboek heb gehad, las ik er graag in. Op zoek naar in onbruik geraakte woorden die in hun ouderdom een raadselachtige of een wat komische indruk maakten.

Een voorbeeld: ‘kwaliemoer’. Ik vond het in de oude Van Dale op pagina 1002. Een kwaliemoer is een praatzieke vrouw. Nooit heb ik iemand dit woord horen gebruiken. Ik dacht dat het een goed voorbeeld voor dit stukje zou zijn, maar voor alle zekerheid toch nog even gekeken in de dertiende herziene uitgave, 1999. Daar las ik in deel twee op pagina 1786 dat een kwaliemoer een praatzieke vrouw is. Om aan alle twijfel een eind te maken ook het woordenboek in mijn laptop geraadpleegd. Geen kwaliemoer.

De woordenschat van een taal krimpt en breidt zich uit. De Van Dale van 1914 kon het doen met 2.061 pagina’s in één deel; 85 jaar later had de redactie 4.295 pagina’s in drie delen nodig om alles op te bergen. Er raken woorden in onbruik. Als mijn vriendjes en ik vroeger iets meemaakten dat ons buitengewoon beviel, zeiden we dat we het mieters vonden. In 1999 bestond het woord nog wel, maar in de praktijk was het vervangen door cool, vet, gaaf of super. Die vier zullen ieder hun eigen context hebben maar daar heb ik geen verstand meer van.

In de Eerste Wereldoorlog is Nederland neutraal gebleven. Dat zal ook onze taal voor vreemde invloeden hebben behoed. De overwinning van de Geallieerden heeft de positie van het Engels tot de enige wereldtaal wel bevorderd maar nog niet bevestigd. Achteraf bezien is ook de macht van Hollywood daar niet voldoende voor geweest. In Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië bleven ze films maken die door een wereldpubliek de moeite waard werden gevonden, en altijd was er een kans dat je door het bioscoopbezoek een vreemd woordje meepikte.

De definitieve overwinning van het Engels heeft zich in fasen voltrokken. Door de nazi’s werd het Duits voor tientallen jaren gecompromitteerd. Frankrijk heeft in de Tweede Wereldoorlog geen beslissende rol gespeeld. Op alle taalkundige gebieden is na 1941 en zeker na de Bevrijding de hoofdrol overgenomen door de Amerikanen. De bevrijders zelf hebben in het begin, met hun allure van een vanzelfsprekende macht grote invloed gehad. Bovendien brachten ze de popmuziek mee, en daarna kwam de rock-’n-roll, Bill Haley en zijn Comets met ‘Rock around the Clock’, de ‘Marseillaise’ van de jaren vijftig, en ‘See You Later Alligator’.

In fase twee, de komst van de televisie in de jaren vijftig hebben we taalkundig redelijk overleefd. Fase drie is moeilijk te omschrijven. In het laatste kwart van de vorige eeuw heeft zich, vooral ten gevolge van de reclame, en daarna de onweerstaanbare verbreiding van internet, een invasie van Engelse woorden voltrokken. Seel, uhword, kresj. Intussen is het Nederlands doorzeefd met Engels.

Ik heb een meelpèl met wie ik er weleens van gedachten over wissel. En het plan gehad om met iemand anders een engneder-woordenboekje te beginnen. Maar dat is een uphilstruggel. Ik ben benieuwd naar wat de redactie van het Groot woordenboek der Nederlandse taal van de vijftiende druk maakt.