Langzame lakenvelder

Vleesproductie klinkt zo akelig. Als thuiskok Marjoleine de Vos vlees eet, dan graag een stukje slow rund.

Rundvlees is het ergst, stond een poosje geleden in deze krant. Het ergst voor het milieu, welteverstaan. „De productie van rundvlees vraagt wel 28 keer meer landoppervlak, elf keer meer irrigatiewater en zes keer meer kunstmest” dan de gemiddelde productie van kippen- of varkensvlees, en ook dan de productie van melk of eieren (ook dierlijke producten tenslotte). En er komt vijf keer meer broeikasgas bij vrij.

Dat is niet zo best. Het akeligste in zulke berichten is eigenlijk altijd dat woord ‘productie’. De ‘productie van rundvlees’ betekent: het leven van koeien. Is het bestaan van koeien een bedreiging van de aarde? Welnee. Maar de productie van rundvlees wel, omdat wij enorme kuddes koeien houden, die we zo snel mogelijk mesten en slachten, omdat we (rijkere aardbewoners) allemaal zo nodig hamburgers en biefstukken willen eten in bespottelijke hoeveelheden. Dan verandert de koe van een leuk beest in iets dat veel vervuilender is dan een auto.

Veel minder vlees eten is een antwoord op veel milieuproblemen, en heel moeilijk te volvoeren is het niet. Maar áls je dan eens vlees eet, dan graag een lekker en mooi stukje. Bijvoorbeeld van koeien die op een niet-intensieve manier gehouden worden. Koeien die een goed leven hebben gehad, die we met plezier in de wei hebben zien staan. Lakenvelders bijvoorbeeld, beroemd om hun mooi vetdooraderde vlees. Prijswinnend vlees hebben ze. Maar voor ze vlees zijn, zijn ze de mooiste koeien die er zijn (niet de ontroerendste, dat zijn de blaarkoppen met hun weerloze oogopslag). Geen koe is mooier dan de lakenvelder met die mooie witte band over de buik van de verder rode of zwarte koe.

Er is vorige week een boek over ze verschenen – De Lakenvelder. Niet uit het veld te slaan – geschreven door iemand die compleet verliefd op ze is. Reurt Boelema heet hij en hij promoot de lakenvelder bij Slow Food, hij verzorgt de website van de vereniging Lakenvelder Runderen, en – het belangrijkste – hij heeft zelf lakenvelders. Zestien jaar geleden liep hij rond met een ‘koeienwens’ schrijft hij. En toen kwam Bellefleur in zijn leven en zo is het begonnen.

Ik heb ook een lakenvelderwens als ik er een paar in de wei zie. En ook als ik hun vlees eet (sorry lakenvelders, maar uiteindelijk komt dat er toch meestal van en zo verdienen jullie jezelf terug). Geen wonder dat die runderen vooral op landgoederen gehouden worden. Vanaf de zeventiende eeuw werden ze als ‘pronkvee’ aangeschaft op buitenplaatsen, daar liepen ze vaak niet op de beste grond – een pronkveldje op een buitenplaats is iets anders dan een perceel sappige weidegrond. En zodoende pasten ze zich aan, en zijn ze tot op de dag van vandaag ideale matige eters die dat voedsel toch in heel prachtig vlees omzetten. Geen erg milieubedrukkend vlees.

Dat vlees is eigenlijk de uitkomst voor de lakenvelder. Door de verkoop ervan aan de horeca of via huisverkoop kunnen de fokkers in leven blijven en de lakenvelders dus ook. Al zal het nooit een vetpot worden met zo’n weinig intensieve manier van werken. Maar dat is ook net wat de koks die dat vlees afnemen zo prettig vinden: dat het afkomstig is van langzame koeien, om zo te zeggen, in rust grootgebracht, geen ‘productie’. En dat proef je dan ook weer terug.

Dus. Wie af en toe een heel lekker stukje vlees wil, weet wat hem of haar te doen staat. Het schijnt dat ze bij Deli2go (Shellstations) lakenveldersaucijzenbroodjes verkopen…