‘Ik wil geen seks, ik wil boektitels’

De schrijver en de actrice/scenarioschrijver groeiden op in het Gooi, zij het niet allebei even gelukkig. Een gesprek over schrijven, ziekte en jezelf verliezen. Huff: „Hier gaapt een generatiekloof: het werkwoord ‘vrijen’ is sinds 1922 niet meer courant.”

Tekst Ellen de Bruin en Jessica van Geel, foto’s David van Dam

Keurig op tijd komen ze binnen. Schrijver Philip Huff al iets na half vijf. Vaalgrijs T-shirt, twee knoopjes los, lange mouwen, een subtiel oranje kralenkettinkje om zijn hals. „Ik heb ook een overhemd bij me, hoor. Voor de foto.” Nog voor vijven, de afgesproken tijd, arriveert actrice en scenarioschrijver Kim van Kooten. Ze was al een paar uur in het hotel, ze heeft hier zitten schrijven. Strakke zwarte broek, zwart T-shirt, zwart leren jack, zwarte New Balance schoenen. Huff is dan net even met de fotograaf mee. „Ik heb net Dagen van gras gelezen”, zegt Van Kooten enthousiast tegen ons. „Zó leuk dat je iemand dan gaat ontmoeten!”

Als Huff terug is, drinken we water met bubbels in de voormalige bibliotheek van het landhuis Duin en Kruidberg in Santpoort. Chesterfieldstoelen en weinig licht, zo’n kamer waarbij je sigarenrook verwacht. Huff (29) vertelt dat hij net zijn derde roman af heeft: Boek van de doden verschijnt in september. Van Kooten (40) heeft net een tv-serie gedraaid, waarin ze speelt met Marcel Hensema: Hollands Hoop. „Een zwarte komedie, een beetje Coen-broersachtige humor.” De serie komt vanaf 27 september op tv. Daarna deed ze de hoofdrol in de film Onder het hart, die op 15 januari in de bioscoop komt. „Ik speel een vrouw van mijn leeftijd die haar grote liefde ontmoet, en dan wordt hij ziek en gaat dood. In het kort. Heel dramatisch, maar er zit ook veel lichtheid in. Een supermooi script van Peer Wittenbols, die eigenlijk vooral theaterteksten schrijft.”

Huff praatte meteen al veel, maar Van Kooten komt pas echt los als ze over haar werk spreekt, en vooral over het goede werk van anderen. Verder zit ze opgevouwen in haar fauteuil en luistert ze voornamelijk. Dat blijft de hele avond het patroon: Huff die vertelt, theoretiseert, schrijvers en films aanhaalt, zichzelf voortdurend in de rede valt, corrigeert en nuanceert. En Van Kooten die veel luistert en in bedachtzame zinnen spreekt met af en toe een enthousiaste uitbarsting. Ze laat regelmatig een aanstekelijk vrolijke schaterlach horen, tegenover Huffs jongensachtige grijns.

Als hij midden in een verhaal zit over de film die in 2011 van Dagen van gras is gemaakt, breekt ze in: „Wie heeft dat scenario geschreven?” Huff: „Ikzelf. Eh, maar goed, in de filmwereld wordt dus veel meer in structuren gedacht. Dan zeggen ze bijvoorbeeld: in de tweede akte moet hij die en die tegenkomen, anders snapt de kijker het niet. Terwijl, in Dagen van gras is het bijvoorbeeld onduidelijk of de hoofdpersoon véél verzint of een beetje…”

Van Kooten valt hem in de rede: „Het is zó’n mooi boek! Dan heb ik dat maar even gezegd. Niet normaal zo mooi. Ik heb zó hard gehuild en zó hard gelachen. En ik baal dat het al verfilmd is, want dat scenario had ik willen schrijven.”

Philip Huff is stil. Hij glimlacht, kijkt naar de grond. Even is hij de draad kwijt.

We hadden het over het proces van schrijven. Huff leest veel schrijversinterviews in de Paris Review, een Amerikaans literair tijdschrift, vertelt hij. Daarin vertellen schrijvers over hun vak en werkwijze. „En als je dan twaalf interviews achter elkaar leest, gaat het twaalf keer helemaal anders. Sommigen schrijven staand, sommigen niet meer dan vijftienhonderd woorden per dag. Hemingway stopte als hij voor die dag zijn schrijfuren had bereikt. Ook al zat hij middenin een scène – of juist wanneer hij er middenin zat. Ik doe dat ook. Dan ga je de volgende dag veel makkelijker verder.”

Van Kooten veert op: „Ik heb dit pas sinds een half jaar ontdekt. Ik werd altijd zo chagrijnig van het schrijven, echt niet meer leuk. De laatste keer dat ik mijn vader op het randje van huilen opbelde – ‘ik wil het niet, ik vind het niet leuk, ik word er geen leuk mens van’ – vroeg hij: ‘Maar wat doe je dan?’ Ik zei: ‘Nou, ik ga de hele dag zitten.’ Hij zei: ‘Néé, ga nou gewoon twee uur per dag schrijven.’ En dat scheelt! Je houdt meer energie over en ik ben veel productiever. Omdat ik weet: ik heb van half negen tot half elf.”

Huff: „Kim is lui. Ik werk wat langer.”

Van Kooten barst in lachen uit. „Ja, Kim heeft kinderen.”

Huff: „Kim durft meer dan ik. Hoe dan ook: ik werk altijd ’s ochtends van acht tot twaalf of één aan mijn boek, dan lunchen en ’s middags buiten spelen. Maar dat laatste is nu minder want ik doe er veel naast, artikelen schrijven, voorlezen. Dat vind ik eigenlijk niet fijn. Het is constant een balans zoeken. Dat is nu een trending topic in mijn leven.”

De fotograaf loopt binnen met paraplu’s van het hotel: of Van Kooten en Huff even mee de regen in willen? Ze blijven op het bordes. „Jij zit ook veel in je hoofd, hè”, zegt Van Kooten tijdens de fotoshoot tegen Huff. „Wat doe jij om eruit te komen?” Huff legt uit dat hij het denken ziet als een computerprogramma dat op het brein draait. „Dan stel ik het me voor als een Windowsprogrammaatje en dat maak ik in gedachten klein. En vakantie helpt ook.”

We gaan eten. Van Kooten drinkt witte wijn, Huff houdt het bij water. Hij drinkt geen alcohol. „Ja, één keer per jaar of zo. Dat mensen niet denken, als ik ooit onder de tram kom: oh, en hij dronk ook al nooit.”

Van Kooten: „Valt het niet goed?”

Huff: „Ik had er nooit behoefte aan. Ik dacht dat komt nog wel, maar dat was niet zo. Ik ben niet tegen drinken, maar als ik niet drink, voelen mensen zich wel een beetje aangevallen. Je moet het meteen uitleggen.”

De laatste plaat van Spinvis gaat erover, vertelt hij, „dat mensen de hele dag bezig zijn een soort infuus aan te leggen van dingen om de dag door te komen. Ja, nou klink ik als een soort zenboeddhist. Maar ik bedoel dus: koffie, maar ook spannend sms’en met die collega van je werk, op vrijdagmiddag keihard zuipen...”

Van Kooten: „En als je dat allemaal niet zou doen, wat is er dan zo vreselijk aan de dag dat je dat nodig hebt? Waar moeten we voor verdoofd worden?”

Huff: „Ja, als ik dat eens wist. Tegen alle verwarring, denk ik. Ik denk dat eigenlijk al mijn boeken daarover gaan. Over de vraag: welk verhaal vertellen we onszelf waarmee we kunnen leven – niet per se in woorden. Neem dat keihard zuipen: eerst is het ontspannend, dan ga je over je grenzen, doe je gekke dingen, de volgende dag ben je brak… Je slaat er zo twee dagen mee stuk. En dan ben je jezelf even kwijt.”

Van Kooten: „Maar dat doe je toch ook als je schrijft. Daarom is schrijven toch ook zo leuk, omdat je jezelf dan even kwijt bent?”

Huff: „Ja, dat is volgens mij de klik. Maar dat is wel wat anders dan drinken omdat je de hele week doet wat je juist niet leuk vindt. Als ik aan het werk ben, is het helemaal rustig in mijn hoofd en doe ik precies wat ik wil doen.”

Wat dan eigenlijk? Huff: „Een schrijver maakt een wereldbeeld. In recensies gaat het meer over stijl, maar literatuur gaat naar mijn idee over het overbrengen van een beeld van de wereld. Hemingway vertelt zijn verhalen in heel korte zinnen en Virginia Woolf in heel lange zinnen, maar het gaat vooral over een kijk op de werkelijkheid die ze willen overbrengen.”

Van Kooten: „Als acteur ben je meer een doorgeefluik. En ik vind het moeilijk om over schrijven te vertellen. Tot een jaar geleden vond ik schrijven dus echt niet leuk. Het klinkt koket, maar ik deed het omdat ik het kan. En als ik door de hel heen ben, is het geweldig. Ik vind het leuk als het af is.”

Huff: „Net als bij relaties.” Hij lacht: „Grapje.” Maar zo makkelijk komt hij er niet mee weg. Hij was immers ook de jongen die al een paar keer in NRC Handelsblad en nrc.next schreef dat hij geen kinderen wil.

Van Kooten: „Echt niet?”

Huff: „Nou, ik heb nu ook geen vriendin. Dus... Maar laatst kwam op een huwelijksfeest een leuk meisje naar me toe en na vijf minuten zei ze: nou, ik ga weer, want jij bent Philip Huff en iedereen weet dat je geen kinderen wil. Dus sinds dat moment ben ik iets minder stellig.”

Ze lachen. Huff, serieuzer: „Ik heb bij mijn ouders gezien hoe een relatie niet moet. Ze maakten vooral ruzie. Dat is niets voor kinderen. Ouders zijn sowieso vaak een vloek voor hun kinderen. Ik groeide op in Laren, ik moest hockeyen, en dan stonden er veel vaders langs de lijn, vaak niet voor de kinderen maar om zichzelf omhoog te schreeuwen.”

Van Kooten komt uit dezelfde omgeving. „Ik zat ook op hockey, en de andere moeders hadden altijd een paardrijbroek aan en zo’n zweepje. Mijn moeder heeft toen voor mij, om niet uit de toon te vallen maar volgens mij ook voor haar eigen lol, een paardrij-outfit gekocht. Terwijl ze helemaal niet paardrijdt! Geweldig toch, dat getuigt van zóveel liefde en humor.” Ze komt uit een heel warm gezin, vertelt ze. „Maar jongens zeiden vroeger wel tegen me: ‘Já ja, het lijkt wel leuk, maar dat is vast helemaal niet zo.’”

Huff: „Zo’n jongen was ik ook. Ik had eens een vriendinnetje van vijf jaar ouder, ik was 19 en zij 24. Haar ouders hadden een heel fijn huis, ze gaven me een rondleiding toen ik er voor het eerst thuis kwam. Heel lief. En dan zei ik: ‘Dan is dit zeker zo’n moment waarop ik moet zeggen dat u een heel leuk huis heeft.’”

Au. Maar Van Kooten knikt herkennend. Huff legt uit: „Ik bedoelde het wel grappig, maar ook cynisch. Ik wilde me niet blootstellen aan de warmte daar, want als ik weer thuis zou komen zou het alleen maar pijnlijker zijn.”

Het hoofdgerecht komt op tafel. „Zal ik nog even toelichten wat het is?”, vraagt de serveerster.

Van Kooten: „Nee joh, we schuiven het zo wel naar binnen.”

Tijdens het eten vertelt Huff dat hij eigenlijk nooit recensies van zijn eigen boeken leest. „Dat klinkt hooghartig, maar er zijn maar twee opties: of je bent de nieuwe Jan Wolkers, of je bent helemaal waardeloos en dan ben je er een week kapot van. Boos. Omdat de recensent het niet goed gedaan heeft of omdat hij toch een beetje gelijk heeft. Beide opties vind ik niet leuk. En recensenten zijn ook nog vaak mannen van een zekere leeftijd. Grijze mannen van 50, 60, die denken te weten hoe de wereld in elkaar zit.”

Van Kooten: „Oh, daar zijn er veel van!”

Huff: „Die grijze generatie heeft het voor het zeggen. Ik zeg niet dat die mannen allemaal slecht zijn… Maar het is vervelend om van die generatie afhankelijk te zijn. Want van het ziekenhuis tot het advocatenkantoor tot de krant – zij bepalen wie de nieuwe kroonprinsjes worden.”

We kunnen er even niet verder op ingaan, want de fotograaf (nog lang geen 50) komt de twee weer halen om buiten foto’s te maken; het is inmiddels droog en de zon is nog net niet onder.

Na het eten gaan we buiten op het terras zitten. We bestellen thee. Huff wuift de serveerster met de doos met zakjes weg: „Ik ben oké hoor, dank je wel.”

Van Kooten, geamuseerd: „Je drinkt nu thee zonder zakje, hè, dat weet je?”

Huff: „Ja, warm water heet het dan gewoon.” Van Kooten schatert.

Huff vertelt hoe hij ooit werd geïnterviewd op Radio 1. „Die mevrouw zei heel stellig: ‘Jij hebt een slechte band met je moeder. Ja, want dat zit in Niemand in de stad.’ Dus mensen hebben een boek van je gelezen en denken dan dat ze wat van je weten – je hebt zeker een psychose gehad, je hebt in Amsterdam gestudeerd...” Zijn familie en zijn ex-vriendin worden ook aangesproken op zijn boeken en zijn interviews, vertelt hij. Hij heeft het dus liever niet uitgebreid over hen. „Mensen krijgen dan een beeld van hen waar ze zich niet tegen kunnen verdedigen.”

Dat geldt ook voor degene in zijn omgeving die een psychose kreeg, net als de hoofdpersoon in Dagen van gras. Dat was heel griezelig: „Je bent voor een groot deel de stoffenhuishouding in je hoofd, en als die knoppen allemaal ineens worden omgedraaid... Dat is echt heel raar. Daar was ik wel bang voor, dat zo iemand zichzelf helemaal verliest waardoor jij ook die persoon verliest. Een verhaal van Alice Munro, The Bear Came Over the Mountain, gaat over een ouder echtpaar. Zij wordt dement, ze wordt steeds minder wie zij is, maar tegelijkertijd ziet ze er nog hetzelfde uit. Angstaanjagend.”

„Iemand die ik ken kreeg ook een psychose”, zegt Van Kooten. „En dit herken ik wel heel erg.”

Huff: „Dan zie je ook: je hele persoonlijkheid is ook maar een soort porselein, in een glazen kastje.”

Van Kooten: „Dat vond ik heel eng. En ik werd voor mezelf ook bang, omdat ik ook wel angstaanvallen heb gehad en een tijd depressief ben geweest, na de enige xtc-pil die ik ooit genomen heb. Dus toen ik dat zag, dacht ik: het is ook maar een kleine stap, misschien.”

De zon is onder, we praten verder over het besef van de eigen kwetsbaarheid. Schreef Huff niet vorig jaar in Hollands Maandblad over de risicovolle operaties die hij moest ondergaan om een aangeboren hartafwijking te herstellen?

Huff schrikt: „Hebben jullie dát gelezen? Holy shit! Dat heeft maar duizend lezers of zo. Oh, wacht.” Hij merkt ineens dat zijn gulp openstaat. „Ik ben naar de wc geweest, even de stal dichtdoen.”

Van Kooten lacht.

Huff: „Wacht eens even, dat was geloof ik al voor we op de foto gingen...”

Van Kooten: „Dus wij komen uit de bosjes en je gulp staat open?”

Huff: „Nee! Nee, dat bedoel ik niet! Trouwens, er was de hele tijd een fotograaf bij.”

Van Kooten: „Ja, dat is het erge!”

Ze lachen.

Huff: „Dan sta ik straks maar op de foto in NRC Handelsblad met een open gulp. Heel goed. Eh, maar jullie hadden nog een vraag voor Kim, geloof ik?”

Hij praat niet graag over zijn hartproblemen en zijn operaties. De eerste keer dat hij merkte dat er iets met zijn hart was, dacht hij dat hij doodging. Hij zoekt naar woorden. „Ik weet niet goed hoe ik dat moet zeggen, maar ik heb er wel veel aan gehad. Je leert dat niet alles maakbaar is. Dat is dus ook het probleem met die mannen van een zekere leeftijd, die doen alsof zij het allemaal voor elkaar hebben gekregen omdat ze zo hard gewerkt hebben... Terwijl zó veel in je leven gewoon toeval is – bijvoorbeeld dat je op het goede moment of met een goed hart geboren bent. Dat soort dingen léér je van het ziekenhuis, maar dat klinkt zo... Het is eigenlijk net als wanneer je bepaalde drugs hebt gebruikt: dan heb je een soort inzicht, en als je er weer vanaf bent klinkt het zo... plat. En een beetje belerend.”

Van Kooten: „Het dekt nooit de lading van hoe het voelde.”

Hoe was dat voor haar, toen ze erg ziek was? Ze aarzelt. „Mijn kindje is in gevaar geweest... Ik heb het idee dat ik dit al best vaak verteld heb, of niet? Ja, jullie hebben de persmap doorgenomen.”

Huff kent het verhaal niet. Toen Van Kooten drie maanden zwanger was van haar jongste, haar dochter (nu 6) kreeg ze een ernstige darmziekte. Colitis. Ze kreeg prednison, haar kindje werd vijf weken te vroeg geboren, gezond, dat wel. Maar zelf werd Van Kooten niet beter. Haar dikke darm werd verwijderd. Dat ging niet goed. Er waren twee operaties nodig. „Ik ben doodsbang geweest”, vertelt ze. „Letterlijk. Voor mijn dochtertje en voor mezelf ook wel. Voor mijn 40ste verjaardag had een van mijn beste vriendinnen een heel lieve speech gemaakt, ze vertelde...”

Van Kooten stopt even, kijkt omhoog. „Ik heb geen zin om te huilen.” Ze is even stil. Lacht dan: „Het is óók heel grappig... Ze vertelde dat ik de bijsluiter aan haar voorlas van een of ander medicijn. De bijwerkingen. En daar stond tussen: spontane dood.”

We lachen, maar: „Het was echt alles wat je niet wilt. Vooral niet als je net een kindje hebt. Dat je én die angst voor je eigen leven hebt, én daarbij nog... je mag gewoon niet...” Ze maakt haar zin niet af.

Huff pakt het op: „Je mag niet doodgaan, want je hebt kinderen. Dat kan ik me heel goed voorstellen. Ik weet nog dat ik naar het ziekenhuis ging en dacht: als ik doodga is het wel heel verdrietig voor alle mensen van wie ik houd, en ik wil het ze ook liever niet aandoen – en ik doe het ze natuurlijk ook niet zelf aan, maar...”

Van Kooten: „Dat is anders, ja, maar ook weer niet, want het gaat over hetzelfde kleine wanhopige gevoel onderuit geschopt te worden.”

Er komt een serveerster langs. „Wilt u nog iets drinken?”

Huff: „Ik wil eigenlijk nog wel...”

Van Kooten, lachend: „...een potje warm water!”

Huff: „Ja.”

Van Kooten vertelt dat ze eigenlijk al haar hele leven het gevoel had dat het een keer mis moest gaan. „Ook omdat ik zo’n gelukkige jeugd heb gehad en overal doorheen gezwijnd ben. Ik dacht dus: o ja, hier was ik al die tijd bang voor. En aan de ene kant ben ik nu alleen maar banger. Maar soms denk ik ook: ik heb het afgekocht voor het hele gezin. Het is heel dubbel.”

Huff: „Ik weet niet of jij dat ook hebt gehad, maar je voelt een soort zekerheid: op een gegeven moment gaan mensen dood. Daar heb ik de boel maar in verankerd. Weet je, het klinkt heel zweverig, maar waarom zou je maar de hele tijd kritisch en onaardig zijn tegen elkaar als je weet dat je allemaal de pijp uitgaat en daar allemaal bang voor bent?” Hij lacht: „Death and taxes, daar kun je zeker van zijn.”

Van Kooten: „Ik heb altijd wel van huis uit meegekregen dat je beter vrolijk en vriendelijk tegen iedereen kunt zijn dan vervelend. En dat heb ik nu nog meer: dat ik mensen een fijn gevoel wil geven. Dat je een ontmoeting net iets leuker wilt maken voor de ander.”

Mensen leven meestal in een routine, zegt Huff, verdoofd, als vissen die niet doorhebben dat ze in water zwemmen. Dat komt uit een toespraak die David Foster Wallace ooit hield voor net afgestudeerde studenten, ‘This is Water’.

Van Kooten, lachend: „’s Ochtends, als ik de kinderen naar school breng, zie ik altijd al die ouders met die bakfietsen en kinderen... De karavaan der wanhoop. We gaan het toch weer doen met zijn allen, maar de meesten hebben het al opgegeven voordat ze de bakfiets van het slot hebben gehaald!”

Huff: „Ja, maar toch ook weer niet, want...”

Van Kooten: „...want ze gaan toch maar, ja!”

Huff: „De karavaan der wanhoop, dat vind ik wel heel mooi.”

De volgende ochtend. Huff en Van Kooten eten allebei muesli, Huff neemt er twee gekookte eitjes bij. Van Kooten eet sinds haar darmoperatie geen brood meer. Ze begint over de zandloper, de dieetmethode uit het succesvolle boek De voedselzandloper van Kris Verburgh, maar dat zegt ze er niet bij.

Huff, verbaasd: „Wat is de zandloper?”

Van Kooten, lachend: „Dat is een boek, Philip. Jij leest toch altijd boeken?”

Het gaat weer over hun ziekenhuiservaringen. Van Kooten vertelt hoe ze expres vrolijk naar haar zoontje zwaaide toen ze de ambulance in ging, omdat ze hem niet aan het schrikken wilde maken. En dat de ambulancebroeder, Willem, meezwaaide. Huff vertelt over een vrouw in het ziekenhuis die een beetje zeurde over wanneer ze haar man nou mocht meenemen naar huis. „Op een gegeven moment klaagde ze: ‘Als we nu niet gaan, staan we straks in de file.’ Zei de verpleegster: ‘Mevrouw, de dokter komt zo, hij is hiernaast éven iemand aan het reanimeren.’ Maar die vrouw wist niet wat dat was!”

Van Kooten, lachend: „‘Dat doet-ie maar in zijn eigen tijd!’”

Huff: „Die mensen krijgen zo veel shit over zich heen, van chagrijnige mensen die hen alleen maar als personeel zien. En dan die meneer van de Nederlandse Zorgautoriteit die voor tonnen per jaar gesponsorde reisjes maakt. Maar goed, dat is wel uitgekomen, dus in zoverre werkt het systeem dan weer wel.”

We nemen nog koffie en thee. Het gesprek komt op het leuke van reizen, dat je alles voor het eerst lijkt te zien. Dan zegt Huff: „Dat lijkt me ook zo moeilijk aan trouwen: hoe ga je dan, zeg maar, op reis?”

Van Kooten lacht: „Je bedoelt: hoe houd je het spannend?” Ze is dertien jaar samen met acteur Jacob Derwig, vertelt ze, waarvan elf jaar getrouwd. „Ja, ik vind het nog steeds leuk, ik ben altijd blij als ik hem zie. Niet dat ik daar bewust een recept voor heb.” Ze denkt na. „Toen ik zo ziek werd, hebben we het drie jaar lang echt heel pittig gehad. Hij ook. Ik was er gewoon niet. En hij is wel gebleven. Ik kon niks. Van onze dochter deed hij het eerste jaar alle nachtvoedingen, álles. En we hadden nog een kind, en hij moest toneelspelen... Dus... niet dat je een bewijs van liefde nodig hebt, maar mocht ik soms denken ‘ik wil even alleen zijn’, dan schiet dat in mijn hoofd en dan wil ik alleen maar aldoor bij hem zijn. Mijn psycholoog zei toen ook dat veel mensen het niet redden als hun relatie zoiets moet doorstaan. Ik voelde me lichamelijk zó slecht, ik wilde ook niet vrijen, was alleen bezig met overleven...”

Huff schraapt zijn keel. Plechtig: „Hier gaapt dus wel een generatiekloof, want het werkwoord ‘vrijen’ is sinds 1922 niet meer courant.”

Van Kooten schatert het uit. Dan: „Wat zeg jij dan? Seksen?”

Huff: „Ja, seksen bijvoorbeeld.”

Van Kooten: „Dat klinkt heel vies!”

Huff: „Nou ja, ik dacht eigenlijk dat het neuken was, maar dat is misschien zo plat.” Hij praat naadloos verder over de vraag hoe je een relatie spannend houdt. „Het idee dat je je hele leven bij elkaar blijft, dat is een sprookje, een Disneyfilm waarmee je wordt opgevoed. Stel dat je op vakantie iemand tegenkomt met wie je één keer zoent – ook als ik een vriendin zou hebben: wat is daar dan precies zo erg aan? Of zou je misschien moeten afspreken: alleen buiten Nederland?”

Maar ook dan kun je toch makkelijk contact hebben via de telefoon? Huff zucht. Telefoons. „Het is momenteel vaak zo dat als een meisje aan een jongen zijn nummer vraagt of andersom, dat het zoenen dan ook al gebeurd is.”

Van Kooten, lachend: „Oh, ik wou jouw telefoonnummer vragen, maar dat ga ik nu echt niet meer doen! Ik wil niet vrijen, ik wil boektitels.”

Huff: „Dat heb ik al zó vaak gehoord, ‘ik wil niet vrijen, ik wil boektitels’. Inmiddels weet ik: dat is geen codetaal, dan willen ze écht boektitels. Maar flirten met mensen buiten je relatie is wel makkelijk, met die telefoons. Je stuurt op vrijdagavond gewoon een berichtje: hee, waar ben je? Misschien is het geheim van een lange relatie wel gewoon: je smartphones in de magnetron stoppen.”

Van Kooten: „Wij hebben daar thuis wel regels voor, niet om die reden, maar omdat je anders thuis telkens zo bezig bent met andere dingen dan waar je mee bezig zou moeten zijn. Er mogen geen telefoons meer in de huiskamer, geen laptops, naast het bed geen telefoons... We hebben zo’n plankje, in de gang, daar leg je ’m neer.”

Huff: „In mijn nieuwe boek laat ik ook zien hoe de mobiele telefoon de héle tijd inbreuk maakt op wat mensen doen.”

Van Kooten: „Wanneer kwam je nieuwe boek nou uit?”

Huff: „September.” Hij grijnst: „Ik geef je m’n nummer wel, dan nodig ik je uit.”

    • David van Dam
    • Ellen de Bruin
    • Jessica van Geel