Ik ben een mens met gevoel

Jan van Veen is met ‘Candlelight’ al 50 jaar de stem van romantisch Nederland. Scheidingsgedichten leest hij niet graag voor, zegt hij bij een omelet. „Het woord alleen al zet me in mijn pijn.”

Jan van Veen presenteert nog steeds vijf keer per weekCandlelight, waarin hij gedichten van luisteraars voorleest. „De stem is niet zo interessant, belangrijker zijn de stiltes, de pauzes.”

Hoor: de kerkklokken luiden. Kijk: daar verderop staan drie jonge vrouwen in champagnekleurige jurken. Bruidsmeisjes zeker. En zie, zelfs de zon breekt even door. Vanaf het terras aan de overkant van de kerk in Lage Vuursche proberen we een glimp van de trouwerij op te vangen.

Perfect decor voor een lunch met Jan van Veen (bijna 70). Radiomaker en presentator van Candlelight. Al bijna vijftig jaar leest hij op de radio gedichten voor van luisteraars. Wie kent niet die begintune van zijn programma? Aanzwellende violen, en dan zijn gedragen, donkere stem die andermans woorden vertolkt. Woorden van liefde en verlangen, verbittering en verdriet.

Radio Candlelight bestaat nog steeds, het wordt nu vijf keer per week rond middernacht uitgezonden op 100% NL. Het programma trekt geen 800.000 luisteraars meer, zoals in de jaren tachtig, maar bijna 200.000 zijn het er nog zeker. Hij neemt het programma bij hem thuis op, samen met de geluidstechnicus die hem de stemtest afnam toen hij in 1964 bij de radio solliciteerde. Met de hoeveelheid gedichten die hij nog dagelijks van luisteraars ontvangt, kan hij ruimschoots vooruit. Er zitten prachtige bij. Soms zijn het niet meer dan rijmpjes. „Dat neemt toe door internet. Vroeger was het: schrijven, envelop zoeken, postzegel plakken, naar de brievenbus. Nu is het: optikken, en pang, het komt bij mij binnen.” Maar hoe stuntelig geschreven ook, hij probeert er het beste van te maken. „Ik kruip in de huid van degene die het schrijft.”

Hij zit op het terras van restaurant Lage Vuursche alsof hij thuis is. Groot, gebruind en vriendelijk joviaal. Hij wijst naar de tafeltjes voor ons. „’s Avonds ligt daar dus damast op, zilveren bestek, kaarslicht. Allemaal heel chic. En dan zeg je: ‘Doe mij maar een pannenkoek. Met spek. Kijk, dát vind ik nou leuk.” Hij wrijft vergenoegd in zijn handen. Twee ringen aan één vinger. Een trouwring en één met zijn familiewapen. Gekregen van zijn vader toen hij achttien werd.

„We zitten hier zeker twee keer in de week”, zegt hij. We, dat zijn hij en Willem van Kooten, net als hij diskjockey met een carrière die vijftig jaar geleden begon bij radio Veronica, dat toen nog werd uitgezonden vanaf een schip op de Noordzee. Ze kenden elkaar nog van daarvoor, uit 1963. Militaire dienst. Soldaten eerste klas. „Tegenwoordig wandelen we wat, we fietsen een stuk, we drinken hier een watertje.” Komende week zoekt hij hem op in Portugal. Van Kooten bestiert daar een resort met 120 villa’s en een golfbaan met 27 holes. „Ik denk mee over de exploitatie ervan.” Zijn zeventigste verjaardag viert hij daar, met Van Kooten. „Nee, niks groots. Zeventig worden is geen verdienste. Ik heb niet zo veel te vieren.”

Wie hem hoort praten, draait zich om. Die stem, dat timbre, die dictie. „Soms vragen mensen: ‘Toe, zeg eens wat’.” Hij spreidt zijn grote handen op tafel. Verlegen: „Daar kan ik niet zo goed tegen.” Geen last van het Bogart-Bacall-syndroom? Dat is een stemprobleem dat vooral voorkomt bij mensen met een (te) lage stem. Hij schudt zijn hoofd. „Nergens last van. Ik rook en ik drink niet.” Echt niet? „Nou ja, ik ben net op tijd gestopt. Op 29 maart 2002.” Van drie pakjes Caballero zonder filter per dag naar nul. „Twee jaar later stopte ik met de alcohol.” Waarom? „Ja, waarom? Dat schimmige gevoel, de gewoonte om met x consumpties op toch van y naar z te rijden.” Nog even terug naar die stem, zegt hij. „Die is niet zo interessant. Weet je wat het belangrijkste is bij het lezen van een gedicht?” Even zwijgt hij. „Stilte. De pauzes. De komma’s. Het gevoel dat je erin legt.”

De ober komt vragen of we wat willen bestellen. Een omeletje graag. Nog wat drinken misschien? Geef maar een fles Anl’eau, joelt Jan van Veen. Standaardgeintje. „Willem [van Kooten] heeft in Drenthe een eigen waterbron, in Annen.” Dikke knipoog. „Vandaar de naam van zijn watermerk. We blijven er elke keer om vragen.

We krijgen het over Veronica’s drive-in shows, waarmee diskjockeys van de radio destijds langs de discotheken in Nederland trokken. „Retepopulair was het. We zaten altijd bomvol.” Niet zo gek veel anders dan wat dj’s als Tiësto of Armin van Buuren nu doen. Jan van Veen steekt twee juichende armen in de lucht, en drukt op denkbeeldige knoppen op het tafelblad. „Sommige van die gasten werken met van tevoren gemaakte tapes. Ja, zo kan ik het ook. Wij moesten mensen van hun stoel kletsen.” De dj’s van nu kunnen miljoenen verdienen. „Het is behoorlijk scheef gegroeid. Wij mochten blij zijn met 200 gulden op een avond. En dan moest je uitkijken dat je de bierrekening niet zelf moest betalen.”

Nou was „plaatjes draaien en kleppen” voor hem vooral een liefhebberij en niet zijn voornaamste inkomstenbron. Hij was (en is nog steeds) inkoper van sokken, panty’s, ondergoed, naaigaren, wegwerpbestek. Ooit begonnen bij het textielimperium van zijn schoonvader Dirk Verweij, tevens oprichter en eigenaar van radio Veronica. „Die man, dat was een levenskunstenaar. Keiharde werker. Een fenomeen.” Muziekliefhebber ook? „Welnee. Hij zag commerciële radio als een zakelijke investering. Hij luisterde er nooit naar.”

De dochter van Dirk Verweij, Loekie, kwam vaak bij hem in de studio zitten als hij zijn radioprogramma’s opnam die vanaf de Veronicaboot werden uitgezonden. En toen? „Toen trouwden we.” Dat was in 1969. Ze kregen twee zoons. Inmiddels zijn er twee kleinkinderen. „Zo geschiedde”, vat hij samen.

Biertransport

Intussen is het hard gaan regenen. Mensen die niet zoals wij onder een afdakje zitten, vluchten naar binnen. Zijn stemming lijkt ook wat donkerder. Hield hij meer van zijn schoonvader dan van zijn vader? „Zeker niet. Mijn vader was een beste man. Veertig jaar werkte hij in het biertransport om zijn gezin te onderhouden.” Jan van Veen is de oudste van zes kinderen. Of eigenlijk negen. „Drie broertjes gingen dood. Twee bij de geboorte, Paultje na negen maanden. Wiegendood. Mijn moeder had tot haar dood een foto van hem thuis hangen. Ze werd 91.” Zijn vader overleed jong, op z’n 72ste. Zijn schoonvader op z’n 66ste. „We waren op zakenreis. Op een ochtend vond ik hem dood in de hotelkamer. 1 augustus 1972.”

„Zo ging die dingen”, herhaalt hij. Hij schenkt de glazen water bij. Zegt: „We hebben het zonnetje niet mee.” Ik vraag of er wel eens gedichten worden opgestuurd waarin hij zijn eigen gevoelens herkent. Hij antwoordt eerst jolig. „Er zijn d’r bij die kommer en kwel heel aardig verwoorden.” Dan serieus: „Er zijn wel teksten bij die me raken... Die me raken om mijn huidige situatie.” Tweeënhalf jaar geleden ging zijn vrouw met een vriendin op vakantie. „Bij de deuropening zei ze: ik ga nu naar Italië en deze week ontvang je een brief. Eerste week: er kwam geen brief. De tweede week: daar was ’ie toch. Van de advocaat.” Loekie wilde scheiden. En dat had hij niet aan zien komen? „Nee. Er was wel eens wat. Bij wie niet? Maar, dit? Nee.” Even lijkt hij te berusten. „Zo gaat dat.”

Dan barst hij los. Er zou een wet moeten komen, zegt hij, die scheiden na ruim 45 jaar huwelijk verbiedt. „Of dwing mensen in elk geval een geldige reden op te geven voor de breuk.” Want die is er niet? „Ik snap het niet.” Het kán toch niet zo zijn, zegt hij, dat het na zo’n lange tijd ineens afgelopen is. „Anders ben je... dan heb je al die jaren daarvoor, dat je wel samen was, tweederde van je leven, toch verkeerd geleefd?” De rechter had niet eens een handtekening van hem nodig om het huwelijk te ontbinden.

Te Koop

En nu? „Nu wonen we nog steeds samen in hetzelfde huis.” Hoe dat precies zit, is een lang verhaal. Hij houdt het er op dat er onderling nog van alles geregeld moet worden. Een tijd geleden trof hij een makelaar in zijn tuin die daar een Te Koop-bord plantte. „Ik wist van niks.” Hij grinnikt. „Dat bord heb ik omgehaald.” En verder? „Ik probeer elke avond voor mezelf te koken. Aardappels, groente, vlees. Ik heb genoeg om handen. M’n radio, mijn inkoopbedrijf, m’n vrienden.” Maar? „Ik blijf het proberen. Ik heb zelfs voorgesteld onze huwelijksreis opnieuw te maken. Van New York naar Curaçao. Maar zij heeft een streep gezet, en ik probeer die als een gek weg te gummen.”

Scheidingsgedichten leest hij niet graag voor. Televisieprogramma’s als Divorce Hotel, hij zal er niet naar kijken. „Het wóórd alleen al zet me in mijn pijn.” Hoeveel leuker zou het zijn, zegt hij, als je die laatste fase van het leven samen kunt doorbrengen? Voorzichtig opper ik dat een man als hij zo aan elke vinger een leuke vrouw kan vinden. Hij schudt van nee. Geen behoefte aan. „Ik ben een mens met gevoel. Ik ben niet zo iemand die fotoboeken in de open haard flikkert.” Een romanticus dus toch? Hij kijkt naar de lucht, waar nu een waterige zon door breekt. Even sluit hij zijn ogen. Weet je wat het is?, zegt hij als hij ze weer open doet. „Ik koester mijn herinneringen.”

    • Rinskje Koelewijn
    • Tekst