Het uitgeholde leger

Sinds de Koude Oorlog is de Nederlandse krijgsmacht veelzijdiger geworden, maar ook kleiner. Een missie in bijvoorbeeld Irak zit er na decennia van bezuinigen niet meer in.

Het ministerie van Defensie zou bij de komende begroting kunnen uitzien naar een verruiming van het budget met zo’n 100 miljoen euro. De extra fondsen, waarover nu wordt onderhandeld, hebben niette maken met de verbetering van de overheidsfinanciën, maar ook met de verrassend snelle opkomst van de Islamitische Staat (IS) in Irak en Syrië en het onweersgerommel aan de oostgrens van de NAVO. Het zou een trendbreuk zijn. Opeenvolgende kabinetten lijken vaak te hebben gedacht: we ‘pinnen’ wel bij Defensie, het is toch geen oorlog.

Met als gevolg een gestage erosie van militaire capaciteit. Nederlandse militairen kunnen nu meer diverse en lastiger opdrachten aan dan de logge dienstplichtigenkrijgsmacht van een kwart eeuw geleden. Maar de personele en materiële staat beperken de schaal van toekomstige missies. Lopen ‘Oekraïne’ of ‘Irak’ uit de hand, dan zal de Nederlandse bijdrage aan eventueel internationaal militair ingrijpen gedwongen beperkt zijn. Tot nu toe heeft Nederland alleen duizend helmen en scherfvesten toegezegd aan de Koerdische peshmerga.

De uitholling lijkt te zijn doorgeschoten: het veelzijdige ‘Zwitserse zakmes’ dat de krijgsmacht al twee decennia zegt te willen zijn, is wel erg klein geworden.

Dat de Koninklijke Luchtmacht met veel minder F-16’s, fregatten en tanks toe kon, was niet meer dan logisch. De Sovjetdreiging leek verdampt, de grens tussen de NAVO en wat resteerde van het Oostblok was honderden kilometers richting Moskou opgeschoven. ‘De Beer is dood’, heette het, maar daar is een verzameling gifslangen voor in de plaats gekomen.

Opeenvolgende defensieplannen, zoals de Prioriteitennota van 1993, de Defensienota van het jaar 2000, de Najaarsbrief uit 2002 en de Marinestudie uit 2005, hadden een vast stramien. Dat was: het personeelbestand zal krimpen en materieel gaat de mottenballen in. Maar daar komen nieuwe, moderne systemen voor in de plaats die alle nieuwe dreigingen kunnen pareren.

Een kleine 150 F-16’s zijn sindsdien voor het laatst geland, maar de Koninklijke Luchtmacht mocht wel drones kopen. De Hawk-luchtdoelbatterijen verdwenen, maar daar kwam een klein aantal PAC-3 Patriots voor in de plaats, waarmee bijvoorbeeld Scud-raketten zijn te onderscheppen.

De Multipurpose-fregatten van de marine waren te complex uitgerust en dus te duur geacht voor hulp bij rampen en piratenjacht, dus verdwenen ze naar België, Chili en Portugal. Ervoor in de plaats kwamen ‘oceaan-waardige’ patrouillevaartuigen die vooral geschikt zijn voor humanitaire hulp na een tsunami of tegen drugssmokkelaars. En vaarwel zware Leopard-tanks, welkom lichte CV-90 infanteriegevechtsvoertuigen.

Surplus

Bijkomend voordeel van deze afslankingen leek de opbrengst van de verkoop van al dit surplus-materieel. Maar die valt tegen. De marktwaarde van tweedehands wapentuig is niet spectaculair; meer landen danken uitrusting af, wat de prijs drukt.

Nederland heeft er bovendien een handje van om overtollig materieel in de uitverkoop te doen dat nét voor de hoofdprijs is gemoderniseerd. Dat gold bijvoorbeeld voor de Leopard-2 tanks die voor tientallen miljoenen waren opgewaardeerd voordat ze overtollig werden verklaard. Canada en Finland kochten een groot deel. Die zagen wél emplooi voor tanks.

Het doortastend afschaffen van F-16-squadrons en het sluiten van vliegbases, vulde de afgelopen jaren de ‘langparkeren-hangars’. Chili nam er een aantal af, evenals Jordanië. Die landen wilden alleen de tussentijds gemoderniseerde versies van de F-16’s. Wat Chili en Jordanië voor de jachtbommenwerpers betaald hebben, is, zoals altijd bij dit soort transacties, „commercieel vertrouwelijke informatie”. Maar, veel kan het niet zijn geweest, want juist dit type toestel is op de occasionmarkt ruim voorhanden.

Dieptepunt van deze kapitaalvernietiging was de verkoop van de Orions, de maritieme patrouillevliegtuigen van de Marine Luchtvaartdienst (MLD). Die zouden niet meer nodig zijn geweest omdat de Russische onderzeeboten waar ze jacht op moesten maken, aan de kade lagen te roesten.

Toch werden de Orions binnen het Capability Upkeep Program (CUP) in de VS gemoderniseerd voor een paar honderd miljoen euro. Duitsland was een van de landen die de Nederlandse redenering niet volgde; het nam er acht over. In dezelfde week dat Nederland en Duitsland in Berlijn het contract tekenden, rolde in Californië de allereerste CUP-Orion uit de fabriek.

Het aanhoudende snijden in personeel en materieel én het toevoegen van andere capaciteiten, zoals meer schepen voor amfibische operaties, uitbreiden van de vloot transporthelikopters, investeringen in cyberoorlog en in speciale eenheden, hebben de krijgsmacht intussen wel veel leniger gemaakt.

Spionagemissies

Ook de vier resterende onderzeeboten van de Walrus-klasse worden ingrijpend gemoderniseerd. Behalve voor klassieke taken als het torpederen van andere schepen, zullen ze zo nog jaren geschikt zijn voor spionagemissies. Het voortbestaan van de Onderzeedienst lag bij elke bezuinigingsronde al op het hakblok, nu wordt openlijk geopperd te zijner tijd nieuwe onderzeeboten te bouwen, mogelijk samen met Duitsland of Noorwegen.

De toegenomen flexibiliteit wierp al eerder vruchten af. Pogingen van Nederlandse dienstplichtige infanteristen om onder VN-vlag de vrede te bewaren in Zuid-Libanon verliepen in de jaren 80 traumatisch. Ze hadden alleen voor de Koude Oorlog geoefend. Maar in bijvoorbeeld Cambodja (1992), Eritrea en Ethiopië (2001), Irak (2003-2005) en Afghanistan (vanaf 2006) deden Nederlandse vredessoldaten en speciale eenheden wat ze moesten doen – ‘Srebrenica’ (1995) was de akelige uitzondering.

Allied Force, het NAVO-offensief tegen de rompstaat Joegoslavië in 1999, betekende een piek in Nederlandse militaire deelname aan een internationale missie. Het contingent F-16’s van de Koninklijke Luchtmacht dat vanaf Italiaanse bases vloog, was met enkele tientallen vliegtuigen na dat van de VS daar het grootste.

Vergelijk dat met de NAVO-bemoeienis met de burgeroorlog in Libië in 2011. Na veel politiek wikken en wegen werden vier F-16’s (plus twee reserve) gestationeerd op de vliegbasis Decimomannu op Sardinië. Het vinden van de toestellen was niet eenvoudig geweest; er stonden er ook al vier in Afghanistan, een dozijn was op oefening in de VS en andere moesten standby zijn aan het thuisfront tegen aanslagen à la ‘11 september’.

Nederland vocht en vecht altijd in internationaal verband. Maar het staat vast dat een ‘lead nation’-rol, zoals in Uruzgan (2006-2010) niet langer mogelijk is. Dat is niet alleen een financiële materiële kwestie; er is simpelweg te weinig personeel en dat moest overal vandaan worden gehaald. „Ik weet alles van onderzeeboten”, liet een officier van de Onderzeedienst zich in 2007 ontvallen. „Waarom sturen ze me naar die Afghaanse zandbak?” Nadat Nederland de leidende rol aan Australië had overgedaan moesten de wonden gelikt worden; het personeel was ‘op’ en het materieel aan vervanging of revisie toe.

Denktank

De staat waarin de krijgsmacht zich na ‘Uruzgan’ bevond was begin 2013 aanleiding voor een analyse door veiligheidsdenktank Clingendael. Samengevat: Defensie moest kiezen of delen, want (bijna) álles willen kunnen is geen optie meer. Er rolden vier ‘potentiële krijgsmachten’ uit, elk met een afzonderlijke hoofdtaak. Eén: een krijgsmacht die heftig maar kort kan ingrijpen; twee: een die zich hoofdzakelijk richt op maritieme operaties; drie: een vredesmacht voor missies als in Afghanistan en op de Balkan; en vier: een krijgsmacht die zich richt op opbouwwerk en humanitaire hulp.

Defensie koos niet. De nota In het belang van Nederland van september 2013 vertoonde opnieuw het bekende stramien: eenheden opdoeken en faciliteiten sluiten, in ruil voor een toegeworpen kluif: de JSF – zal de F-16’s vervangen. Er komen er zo’n 35.

Grootschalig meedoen aan eventuele operaties rond de Oekraïense crisis of in Irak wordt dus lastig. Kleinere missies zijn nog wel mogelijk. In 2014 waren Nederlandse militairen op bijna twintig plekken op missie, overal ter wereld. Maar een missie als in Mali – met vier Apache-aanvalshelikopters, drie Chinook-transportheli’s en speciale eenheden naar Nederlandse begrippen al vrij groot – trekt een zware wissel op de organisatie. Inmiddels klinken binnen Defensie alweer geluiden om tanks aan te schaffen. Kwetsbare CV-90’s zijn geen optie. Beste kandidaat tot nu toe: opnieuw de Leopard-2. Maar voor 100 miljoen koop je er minder dan tien.

    • Menno Steketee