Het oorlogsgebied bleek best vriendelijk

Arjen van Veelen woont sinds kort vlak bij Ferguson in de VS. Hij fietste deze week vijf keer naar de plek van de onlusten. Zijn blanke buurman verklaarde hem voor gek. Maar het leek er soms wel een straatfeest.

Een foto met een lange sluitertijd van demonstranten afgelopen woensdag in Ferguson. FOTO AP

De wereldpers was maandag neergestreken op de parkeerplaats van de Target-supermarkt in Ferguson. Overal stonden straalwagens, campers en partytentjes. Her en der deden reporters met ernstige fronzen live verslag van de onlusten. Achter hen, niet in beeld, deden de inwoners van Ferguson hun boodschappen.

Ook ik moest even live: Nieuwsuur wilde weten hoe ik de rellen had ervaren. Niet dat ik Amerikadeskundige ben, geenszins, maar stomtoevallig verhuisde ik vorige maand naar St. Louis, op een kwartiertje van het epicentrum. Ik maakte gebruik van de satellietwagen van een verslaggever van CBS News. Hij gaf me de huls van een traangasgranaat. „Kun je aan je kijkers laten zien”, zei hij lachend, „heb ik zelf ook gedaan”.

Traangas speelde zeker een rol bij de protesten in Ferguson, maar ik heb het rekwisiet niet gebruikt. Het ding was vooral symbolisch voor het mediacircus dat Ferguson geworden was.

Een week eerder zag ik op CNN de beelden van de plunderingen om de hoek. Vlak daarvoor had diezelfde zender nog een item over onlusten in de Haagse Schilderswijk, trouwens. De beelden uit Ferguson spraken voor zich: een uitgebrand benzinestation, traangas, anarchie, politie met machinegeweren. Een oorlogsgebied.

De afgelopen dagen ben ik vijf keer naar dat oorlogsgebied gegaan. Meestal bij daglicht, want ik ben geen held. De eerste keer was ik zelfs gewoon bang. Of bang gemaakt. Onze witte overbuurman, die al jaren in St. Louis woont, kreeg bijna een hartverzakking toen ik zei waar ik naartoe zou fietsen.

Mijn eerste indruk van St. Louis was: Zuid-Afrika. Het is een extreem verdeelde stad. De apartheid is misschien afgeschaft en iedereen mag in elke bus zitten, maar in praktijk lijken de rassen hier nog gewoon gescheiden te leven. De belangrijkste breuklijn is die tussen noord en zuid. Het noorden is arm, zwart en gevaarlijk; het zuiden rijk, wit en veilig.

Althans, zo zit het in de hoofden van veel mensen.

Mijn vrouw en ik wonen in het noordelijke deel, net over die virtuele grens. We zijn de witte minderheid. Onze huisbaas waarschuwde ons voor straten en wijken die we moesten mijden. Als nieuwkomer luister je naar dat soort advies, zeker als je het ook van veel anderen hoort. Het komt erop neer, schreef ik vorige maand bij De Correspondent, dat je hier bijna vanzelf racistisch wordt. Alleen voor het vliegveld was ik een keer naar het noorden gereden. Behalve mijn buren, sprak ik weinig zwarten.

Ground zero bleek een modelstraatje voor een ME-oefening

Dat is sindsdien veranderd. En dat komt deels door de rellen in Ferguson, die uitbraken nadat een witte agent een zwarte tiener had doodgeschoten.

Het oorlogsgebied in Ferguson bleek best vriendelijk en vooral ontzettend klein. Het besloeg een strook van ongeveer driehonderd meter op de West Florissant Avenue, een verbindingsweg door het voorstadje. Zeg tweeënhalf voetbalveld, aan de ene kant gemarkeerd door een uitgebrand benzinestation, en aan de andere kant door een McDonald’s.

Het afgebrande benzinestation werd de verzamelplek voor demonstranten: hun Tahrirpleintje. Het verwrongen stalen skelet bleek ook een geliefd decorstuk voor televisie-interviews. De McDonald’s was de afgelopen dagen meestal gewoon open, het was zowel buurthuis als informeel perscentrum. Hier kwamen demonstranten en journalisten voor wifi, friet en flesjes melk om traangas mee uit de ogen te spoelen.

De ground zero van de onlusten leek een modelstraatje voor een ME-oefening. Of van een nagebouwd ministadje voor een realityshow. Met een authentieke liquor store en een Chinees fastfoodzaakje. En heel veel rookmachines. Buiten die strook ging het leven gewoon door.

Bijna alle beelden die je hebt zien langskomen, zijn in dit stukje gemaakt. Ook de iconische foto van een demonstrant met een Amerikaanse vlag om zich heen gedrapeerd, die een traangasgranaat terugwerpt naar de politie. Een prachtig, krachtig beeld — alleen niet per se representatief.

Overdag leken de demonstraties soms eerder een straatfeest. Met veel verklede mensen, creatieve protestborden, en langs de kant publiek met koelboxen. Passerende auto’s toeterden als steunbetuiging. Soms zei de politie dat de demonstranten niet mochten stilstaan. Dan gingen ze rondjes lopen, terwijl ze hun leuzen scandeerden. „Hands up, don’t shoot!” en „No justice, no peace!”.

De strook werd een bedevaartsoord en Project X tegelijk. Leiders van vroeger kwamen langs, zoals Jesse Jackson of Al Sharpton. Beroemdheden lieten zich zien, zoals de in St. Louis woonachtige rapper Nelly (hij werd trouwens uitgejouwd, omdat men vond dat hij veel eerder had moeten komen, en omdat hij te rijk was om de problemen van de straat nog te snappen).

De woede was vaak vrolijk. Er werden rozen uitgedeeld. Er waren free hugs. Dominees liepen samen met anarchisten en op een dag zelfs met Tibetaanse monniken. Er verscheen een keer een zwarte man op een paard, alsof hij Django was, uit de Tarantino-film. Agenten gingen op de foto met demonstranten. Een blond meisje tekende op straat met stoepkrijt, terwijl even verder een zwart jongetje R.I.P. Mike Brown op het asfalt schreef.

Palestijnse activisten stuurden advies hoe om te gaan met traangas

Intussen werd op Twitter en televisie vaak de vergelijking gemaakt met de opstanden in Egypte, of met Gaza, of de rassenrellen uit de jaren zestig. Palestijnse activisten stuurden zelfs advies over hoe om te gaan met traangas. Natuurlijk waren er heftige confrontaties (die ik veilig via Twitter volgde), maar vooral ’s nachts. Dan waren veel verstandige demonstranten naar huis, en bleven er kleine groepjes over, soms maar enkele tientallen.

Volgens sommigen lokte de politie de rellen uit, volgens anderen waren er provocateurs of gewoon hufters van buiten, volgens weer anderen zorgden al die camera’s voor olie op het vuur. Sowieso was het ironisch dat een demonstratie tegen politiegeweld beantwoord werd met politiegeweld. Er leek een script geschreven voor ellende, met karakters als de lokale blanke politiechef die steeds precies de verkeerde beslissing nam.

En de inzet van wapens was absurd. Toen er een paar F-15-straaljagers laag overvlogen, was het niet helemaal duidelijk of dat simpelweg te maken had met de aanwezigheid van een luchtmachtbasis in de buurt. Maar hoe dan ook paste het beeld goed in de sfeer, met pantserwagens op de grond en een no-fly zone boven Ferguson.

Maar Gaza? Tahrir? Groteske vergelijkingen, en pervers. Zelfs vergelijkingen met eerdere rellen gaan niet op. In 1992, nadat Rodney King in elkaar was getrapt door agenten, vielen er ruim vijftig doden en 2.000 gewonden in Los Angeles. Wat dat betreft was Ferguson gelukkig peanuts: buiten de aanleiding, Michael Brown, kwam niemand om.

Het was vooral de beeldtaal die aan oude trauma’s deed denken. Zoals de keer dat een cordon witte agenten met honden optrad tegen de zwarte betogers. Of de historisch beladen maatregelen als het uitroepen van de noodtoestand, het instellen van de avondklok, de inzet van de nationale garde.

Alles wat gebeurde werd bovendien door tientallen camera’s en mobieltjes geregistreerd, uitvergroot en vermenigvuldigd. Maandag zag ik hoe er twee demonstranten werden gearresteerd. Op Twitter verscheen meteen beeld van hetzelfde incidentje, vanuit allerlei verschillende cameraposities.

Was de wereldwijde aandacht dan onzin? Was dit een soort Schilderswijk-akkefietje dat onterecht viraal ging? Nee, toch niet.

Een betere vergelijking is de Occupy-beweging, die geen revolutie was, maar vooral een verlangen naar revolutie — een vorm van heimwee naar de geschiedenis. Ook in Ferguson zag je dat verlangen naar de hoogtijdagen van de burgerrechtenbeweging.

Maar Ferguson werd ook een hashtag omdat er een concrete, ernstige grond voor was. Een ongewapende zwarte tiener werd doodgeschoten. En die gebeurtenis past in een luguber rijtje, dat nog steeds groeit. Afgelopen week schoten witte agenten opnieuw een zwarte man dood in St. Louis. De schietpartij en wat eraan voorafging werd live gefilmd. De man was duidelijk verward en zwaaide volgens de politie met een mes. Zulke gebeurtenissen zijn bijna zo gewoon dat ze vaak het nieuws al niet meer halen. Ferguson zette daar terecht de schijnwerpers op.

Net zoals de raciale en economische ongelijkheid in de stad nu weer aan de orde zijn. Het was de olifant in de kamer, zeiden veel mensen hier, het was een monster dat we zelf hebben gecreëerd: hele wijken die aan hun lot waren overgelaten, met slechte scholen en gebrek aan kansen.

En de demonstraties gaven ook zicht op een oplossing. De zwarte bevolking zou geen leiders hebben — in Ferguson ontstond een nieuwe stijl van leiderschap. Bewoners en vrijwilligers twitterden en crowdsourceten schoonmaakploegen, ordetroepen en fondsen bij elkaar. Ze zaten niet per se te wachten op Al Sharpton en Jesse Jackson. Lokale leiders als Antonio French creëerden hun eigen platform in de media. Hij was elke dag twitterend ter plaatse. In een week kreeg hij er ruim 100.000 volgers bij.

Niets verbroedert meer dan samen voor de regen schuilen

Afgelopen woensdagavond liepen de demonstranten weer hun rondjes. Dit keer kwam het vuurwerk vooral uit de hemel: er hing een prachtig onweer boven de stad, met bliksem na bliksem. Het maakte de avondvierdaagse heel Wagneriaans.

Nog steeds was er de spanning dat het mis kon gaan. Een jonge vrouw zei dat ze was geschrokken toen ze rook zag — geen traangas, toch? Het bleek een barbecue. Even werd het spannend, toen een man en een vrouw de straat op liepen met een bordje pro Darren Wilson, de agent die Michael Brown neerschoot. De pantserwagens reden de straat weer op. Precies toen barstte de regen los. Demonstranten zochten snel beschutting onder de afdakjes voor winkelpuien. Niets verbroedert meer dan samen voor de regen schuilen.

Net als Occupy was Ferguson ook utopisch: de strook was, overdag dan, even een gedroomde samenleving. Of laat ik voor mijzelf spreken: ik heb de afgelopen dagen op dit strookje meer zwarten gesproken dan de weken daarvoor in de hele stad. En de huiver die ik had als ik naar het noorden rij is grotendeels weg.

St. Louis is een verdeelde stad — en dat zal het nog wel even blijven. Misschien heeft Ferguson de bestaande linies juist bevestigd: zie je wel, het is daar een oorlogsgebied. Vooroordelen zijn nu eenmaal comfortabel. Laatst ontmoette ik bij de autogarage een conservatieve Fox-kijker. Vietnamveteraan, cowboyhoed. Ik vroeg hem gisteren wat hij van de rellen vond. Hij zei dat die de reden zijn om deze maand zijn vergunning te halen om ook op straat wapens te mogen dragen. „Ik wil mijn vrienden kunnen beschermen als het donker is.”

Dat verschansen in je eigen wereldje maakt veel kapot in de stad. Ferguson liet zien dat het ook anders kan. Geen idee of dat beklijft, maar de stad kan het goed gebruiken.