Een propagandaoorlog en een hoax. Natuurlijk schrijven we er wel/niet over

Een voorpagina die je „eigenlijk niet wilt publiceren”. Dat twitterde de hoofdredacteur over de krant van woensdag, die het beeld bracht van de Amerikaanse journalist James Foley en zijn beul, kort voor zijn onthoofding. De familie van Foley had opgeroepen niet naar de video van zijn onthoofding te kijken. NRC Handelsblad bracht een still uit de video op de voorpagina. Ook op de krant liepen de meningen erover uiteen. Dit was hét beeld van de dag. Anderzijds: moet de krant de lezers dit niet besparen?

Over de plaats van die foto kun je twisten – de Volkskrant bracht een dag later dezelfde foto binnenin – maar dat de krant die laat zien, vind ik terecht. Niet het gruwelijkste beeld, al helemaal niet het filmpje op de site. Maar deze foto toont het huiveringwekkende gezicht van het ‘kalifaat’ – en dat is relevant. De krant heeft ook de plicht lezers te laten zien (nogmaals, of dat zo prominent moet, is een tweede) waarmee deze fanatici hun boodschap, ook onder sympathisanten, verspreiden.

Doet de krant daarmee wat de terroristen willen, namelijk propaganda verspreiden? Ik zou zeggen: nee, want de lezer wéét dat. Het artikel, IS maakt dreigement snel waar, bracht de relevante context aan. De dag erop volgden stukken met uitleg en duiding. Meer moeite had ik zelf met de cover van nrc.next, dat via een omweg probeerde de gruweldaad wél en niet in beeld te brengen. Namelijk met een tekening van slachtoffer en beul, waarin het hoofd van Foley was verdwenen (onder de kop Waarom onthoofding werkt). Bedoeld om juist niet expliciet te zijn, maar geslaagd? Op zulke gruwelen moet je niet grafisch voortborduren.

Intussen is propaganda natuurlijk ook tekst. Hoe gaat de krant daarmee om?

Dat geldt bijvoorbeeld voor de ophef over de tweet van ambtenaar Yasmina Haifi, die in IS een Joods complot ziet om de islam zwart te maken. Haar verdedigers beroepen zich op de vrijheid van meningsuiting. Maar haar opmerking dat IS een creatie is van de zionisten, is helemaal geen ‘mening’, zoals een briefschrijver in de krant al opmerkte, maar een feitelijk bedoelde bewering.

Haifi baseert zich daarbij op verschillende bronnen op internet, die zij kennelijk gelooft. En zij niet alleen, sociale media kolken al weken van het gerucht, dat past in een lange antisemitische traditie. Het zou feitelijk afkomstig zijn uit een interview met de wereldberoemde klokkenluider Edward Snowden, en dus betrouwbaar. Of niet?

De krant is tot nu toe zuinig geweest in de behandeling van dit gerucht, vind ik. Begrijpelijk, want je wilt geen onzin in de krant zetten – maar toch. NRC Handelsblad bracht een nuttig achtergrondstuk over de regels voor ambtenaren (Tweet over link tussen Israël en IS gaat voor een ambtenaar te ver, 14 augustus), met drie zinnen over het gerucht („dit soort conspiratietheorieën worden vaak gehoord in de Arabische wereld”). Het commentaar van de krant (De baarlijke nonsens van een Haagse ambtenaar) stipuleerde diezelfde dag dat aan de inhoud van Haifi’s tweet „eigenlijk weinig woorden [hoeven worden] vuilgemaakt”.

Dat laatste betwijfel ik. Want juist omdat dit sinistere gerucht zo’n opgang maakt in de sociale media, kun je er beter toch wat meer woorden aan vuil maken. Bijvoorbeeld door uit te zoeken waar het vandaan komt. Ik las een fascinerende reconstructie op het blog The Snowden Hoax, dat in kaart brengt hoe het verhaal begin juli opborrelde op een Duits-Arabische site en zich daarna verspreidde via Arabische, Iraanse en andere media. Ondertussen geen spat bewijs: het ‘interview’ met Snowden dook niet op, zijn partner Glenn Greenwald weet van niks en Snowdens advocaat was er op Twitter in één woord klaar mee: „hoax’’.

Ware gelovigen zal dat niet overtuigen – The Snowden Hoax is voor hen waarschijnlijk óók een zionistisch complot om complottheorieën zwart te maken – maar alleen al het bereik van dit gerucht, ook in Nederland, rechtvaardigt meer aandacht. Niet alleen wegens de heftige emoties die het oproept, maar ook omdat de schorsing van de betrokken ambtenaar inmiddels dient als kapstok om het ‘meten met twee maten’ in Nederland aan te kaarten.

In de maak op de redactie is nu gelukkig, begrijp ik, een uitgebreidere productie over de kwestie, inclusief de steunbeweging die sympathisanten hebben opgezet voor de geschorste ambtenaar.

Intussen bracht de krant wel een uitgebreid verhaal over het CIDI (Echt een héle goede lobbyclub, 18 augustus) , kort nadat ook al een portret was gemaakt van CIDI-directeur Esther Voet. Waarom zoveel, zo kort na elkaar? Aanleiding voor dat tweede stuk was de advertentie in De Telegraaf tegen Jodenhaat, gecoördineerd door het CIDI. Het verhaal zette gedetailleerd uiteen hoe de organisatie werkt.

Dat was een informatief, goed uitgezocht stuk – al las het een beetje of lobbyen per definitie onkies is. Maar ik miste ook iets. Het CIDI bevindt zich anno 2014, vergeleken met de onvoorwaardelijke Nederlandse sympathie met Israël uit de jaren zeventig, in een totaal andere context. Er is een krachtige pro-Palestijnse tegenlobby op gang gekomen die minstens zo effectief of zelfs effectiever is.

Die historische context ontbrak, waardoor het leek of het ‘machtige’ CIDI in een curieus soort maatschappelijk vacuüm opereert (en pas onlangs door de krant is ontdekt). Trouwens, in het stuk werden voorbeelden gegeven van de effectiviteit van het CIDI, zoals bij het laten stellen van Kamervragen of het organiseren van persreizen, wat onder meer in 2013 een stuk in nrc.next opleverde. Maar het vermeldde dan weer niet dat die reportage juist geen plaats kreeg in de moederkrant, NRC Handelsblad. Zó machtig is die club dus ook weer niet.

Propagandisten en lobbyisten werken in een maatschappelijke en historische context – het is aan de krant om die duidelijk te maken.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong