Dit is voor mensen die smerig willen worden

Wegzakken in de modder, touwtrekken met een omgewaaide eik. Beasten is een bootcamp in de natuur, met je voeten in de brandnetels.

Het begon allemaal met een modderpad. Een paar jaar geleden rende Teun van der Klis – eerst acht jaar in het leger, nu bijna afgestudeerd als fysiotherapeut – over een modderpad, ging tien keer onderuit en dacht: „Hé, lekker eigenlijk.”

Daar ontstond zijn idee voor beasten. Waarom hardlopen op asfalt, met muziek in je oren en je blik op oneindig? Waarom bootcamp, met een trainer die vanaf de zijkant „100 keer opdrukken!” brult? Is het niet veel leuker om door de natuur te draven en in een meertje te springen, of in boom te klimmen als je daar zin in hebt? Teun: „Niks superdikke vering in je hardloopschoenen, maar gewoon de demping van het gras gebruiken. Geen ingewikkelde oefeningen en technieken; buitenspelende kinderen hebben toch ook geen handleiding voor hoe ze moeten vallen of klimmen?”

Hij richtte NatuurlijkSportief op. Nick van Ingen en Nick Platje, die hij nog kende van zijn diensttijd, sloten zich kort erna bij hem aan.

En daar staan we dan. Een groepje jongens en meiden, tussen de 20 en 40 jaar. Gespierde kuiten, sterke bovenarmen en frisse gezichten.

„Beasten is niet voor halve tammen”, heeft Teun van tevoren tegen me gezegd. Ik weet niet of dat als waarschuwing of ter motivatie is. Maar beasten zal ik.

Tachtig kilo botten dragen

Vanaf de parkeerplaats rennen we in rap tempo de dijk op. Een stukje hollen, dat kan ik wel, denk ik nog, maar precies op dat moment sprint Teun de dijk af naar het grasveldje beneden. We gaan touwtrekken – maar dan met een omgewaaide eik. Daarna maken we tweetallen en lopen omstebeurt met de ander op ons rug de dijk weer op. „Je draagt nu 80 kilo botten, hè”, zegt de jongen die ik draag bemoedigend. Hijgend kom ik boven.

Verder dan, naar de andere kant van de dijk. Wegzakkend in de modder richting de rivieroever. Ik probeer distels en brandnetels te ontwijken en geen ‘au’ te roepen wanneer ik mijn enkel schaaf aan een boomstam. Bij beasten piep je niet, zoveel is me na een kwartier wel duidelijk.

„Vind je het erg om een beetje smerig te worden?” roept Teun, die al bij de waterkant is, maar voordat ik kan antwoorden springt hij het water in. Ik volg, natuurlijk, al moet ik opnieuw een piepmomentje onderdrukken als ik het water voel. „Zwem maar naar de steiger aan de overkant, jongens. Als je moe wordt, ga je naar de zijkant. En als je echt niet meer kan, roep je ‘Help’. O, en vergeet niet te genieten, hè.”

Er staat een stevige stroming. Ik zwem, maar zwenk meteen terug en word ingehaald door twee vrouwtjeseenden. Maar sjongejonge, het is hier mooi. De zon gaat onder, de lucht kleurt oranje, het is stil, op het geplons van ons, beasters, na. Even later klimmen we de steiger op en gaan op onze buik op het randje van de leuning liggen, armen naar voren, benen gestrekt naar achteren. En dan wisselen naar je rug. Een kleine dikke pitbull komt aan rennen en springt naar onze kuiten. Zijn baasje kijkt verwonderd naar de groep druipende leuningbalanceerders.

De dijk weer op, draven. Het gras is hoog, en ik merk dat ik anders moet lopen dan ik gewend ben op asfalt, alsof je met je tenen de grond aftast; waar kan ik landen? Ik loop steeds achteraan, maar niemand zegt er wat van, de snelsten maken gewoon een extra rondje, tot ik er ben. Bij een grasveldje maken we tweetallen, liggen tegenover elkaar, en gaan de ander onze kant op frommelen. Frommelen? vraag ik. „Ja joh”, zegt Teun, „trek Jeroen jouw kant op, maakt niet uit hoe je het doet”. Op Jeroens onderbeen zit een tatoeage, die ik tijdens het frommelen regelmatig van dichtbij zie. Dit voelt niet raar. Ik wil gewoon winnen. Dat lukt niet, maar na afloop zegt hij vriendelijk: „Je bent bijna net zo sterk als de andere Laura in deze groep”, en dat klinkt als het mooiste compliment in tijden.

De trap naar de hel

En dan vergeten we bijna de stairway to hell: een stenen trap die we beklimmen, weer met iemand op onze rug. Een ouder echtpaar staat te kijken als ik, tergend langzaam – maar wat zou het? – de bovenste tree haal. „Goed, hoor”, zeggen ze. 80 kilo botten, denk ik trots. Wist je trouwens dat je die trap ook achterstevoren op handen en voeten kan beklimmen? Ik kom tot halverwege – verzuring, hell yeah.

Het laatste stuk wandelen we naar de parkeerplaats. Er wordt nu gepraat. Over een beastingdag bij de Loonse en Drunense duinen die echt ‘smerig mooi’ gaat worden. Over het bananentoetje van een restaurant in de buurt. Over uitverkoop bij een sportschoenenwebshop. Over dat Mark in het begin steeds achteraan liep maar nu… Nick: „Nu nog steeds.” „Ja”, zegt Mark, „maar dat komt omdat jullie ook sterker zijn geworden.” Gaat er wel eens iemand door zijn enkel? vraag ik. Bijna nooit, zeggen ze allemaal. In de natuur kan je niet argeloos trainen, je moet opletten waar je je voeten zet. Teun zegt dat hij drie keer een verzwikte enkel meemaakte: dat gebeurde na afloop van het beasten, op het asfalt van de parkeerplaats.

Terug in de auto zie ik in de achteruitkijkspiegel een verwilderde versie van mezelf. Er zit modder op mijn gezicht, er loopt een grote schram over mijn rechterschouder en bij mijn bovenarm doemt een blauwe plek op – al kan ik me niet herinneren op welk moment tijdens het beasten ik die heb opgelopen.

Ik grijns. Ik ben geen halve tamme.

    • Laura van Mourik