Dierenliefde

Liefde en seks bij dieren zeggen ook iets over ons. Vijf lessen over oerseks, piemels, vreemdgaan en het nut van mannetjes.

foto afp

Sta hier eens bij stil: wij mensen zitten vast aan een lange, ononderbroken keten van hitsige en seksende voorouders. Die keten loopt miljarden jaren terug in de tijd. Terug naar de steentijd en verder. Van de mens naar de voorouder van alle mensapen, via aapachtige wezens naar muisachtige scharrelaars en uiteindelijk via hagedisachtige reptielen naar kaakloze vissen, sponzen, en eencelligen. Geen enkele van onze directe voorouders heeft géén seks gehad. Anders waren wij er nu niet geweest.

Seks, en uiteindelijk ook liefde, zijn naast overlevingsdrift de meest essentiële zaken van het leven. Hoe is dat zo gekomen? En welke amoureuze strategieën zijn er overgeleverd sinds de oertijd?

Waarom maken haringen geen probleem van ontrouw, en wij doorgaans wel? Waarom heeft een gorilla een harem en vormen mensen meestal paren? Door te leren over het seks- en liefdesleven van dieren, leren we ook iets over onszelf. Waarom wij het doen zoals we het doen.

Seks is misschien wel ouder dan het leven zelf

Biologen denken iets te weten over het seksleven van de allereerste levende wezens op aarde. Hadden die dan al seks? Jazeker. De vroegste planeetbewoners deden nog niet aan seksuele voortplanting – want ze kloonden zichzelf gewoon – maar ze hadden wel af en toe seks. Volgens de biologische definitie dan: het uitwisselen en vermengen van genetisch materiaal. In de kern is dat waar seks bij ons ook nog steeds om draait, maar toen zag het er heel anders uit.

In de goeie ouwe tijd was romantiek ver te zoeken. Oerbacteriën koppelden zich kortstondig aan soortgenoten – levend of dood – en ‘pakten’ stukjes DNA waarmee ze hun eigen beschadigde DNA konden repareren.

Seks was aanvankelijk niets meer dan een overlevingsstrategie. Leven op aarde moest het zien te redden in helse omstandigheden. De ongekend hoge uv-straling van toen maakte levend materiaal kapot, en seks was dé manier de schade te herstellen. Men vermoedt zelfs dat RNA-moleculen, de losse bouwstenen van waaruit leven op aarde is ontstaan, al op soortgelijke wijze reparaties op zichzelf uitvoerden. Seks was er dus al voor het eerste leven. Is dat geen opwindende gedachte?

Mannen zijn niet zo belangrijk

Voor biologen is het een grote vraag: wat is precies het nut van mannen? Er zijn namelijk zat vrouwen in de dierenwereld die zich zonder mannen prima kunnen voortplanten. Een soort raderdiertje, een minuscuul beestje dat je vindt in zoetwaterplassen en vogelbadjes, doen het bijvoorbeeld al tachtig miljoen jaar zonder mannen. Bladluizen zijn vrijwel altijd alleenstaande moeders met dochters en baren slechts eens in het jaar een paar mannetjes om seks mee te hebben. Dit maakt de volgende generatie stammoeders sterker.

Leven zonder mannen is een stuk efficiënter; er gaat geen tijd en energie verloren aan al het gedoe rondom seks en verleiding. Aseksuele renhagedisjes – alleen maar vrouwtjes – planten zich sneller voort dan hun seksuele soortgenoten die wel mannetjes om zich heen hebben. Vrouwen kunnen zonder mannen, maar mannen niet zonder vrouwen.

Hoe zit dat? Het heeft allemaal te maken met het verschil tussen zaadcellen en eicellen. Zaadcellen zijn met veel, maar bevatten weinig voedingsstoffen en kunnen om die reden in hun eentje nooit uitgroeien tot volwaardige nakomeling. Eicellen zijn schaars, maar groot en voedzaam, en hebben die potentie wel. Mannen hebben vrouwen (en hun kostbare eicellen) dus nodig, maar andersom veel minder.

Ook wij zouden in principe met veel minder mannen toekunnen. Een paar superzaaddonoren zijn genoeg om hordes vrouwen te bevruchten. Maar of dat echt gezellig zou zijn? Ik weet het niet.

Vogels zijn hun piemels kwijtgeraakt

Wij zijn zo gewend aan onze geslachtsdelen dat we ons zelden afvragen waarom wij eigenlijk piemels en vagina’s hebben en sommige andere dieren niet. Bij vogels is het nogal verwarrend: mannelijke zangvogels hebben net als hun vrouwtjes slechts een cloaca, een gat waar zowel de uitwerpselen en urine uitkomen als het sperma, en bij de vrouwtjes de eieren. Bij de paring drukken ze de cloaca’s kortstondig tegen elkaar. Maar eenden hebben juist weer heel geavanceerde geslachtsdelen.

Men denkt dat piemels noodzakelijk werden toen dieren 350 miljoen jaar geleden aan land gingen leven. Onder water lieten vissen hun zaadcellen en eicellen vaak gewoon bij elkaar in de buurt los, in de hoop dat ze elkaar zouden vinden (en dat doen ze nog steeds zo). Aan land moest er iets verzonnen worden om geslachtscellen tegen uitdroging te beschermen. Dat werd interne bevruchting, en daarvoor is gereedschap dat het zaad in het lichaam van een vrouwtje kan deponeren bijzonder handig.

Piemels werden daarom gemeengoed. Vogels hadden aanvankelijk ook piemels, denken paleontologen. Toen ze nog op de grond leefden in ieder geval, zoals eenden nu ook nog. Maar de vogels die de lucht in gingen, hebben weer afstand moeten doen van hun lid. Sneu. Waarom blijft gissen.

Vrouwen gaan net zo goed vreemd

Het clichéverhaal in de kroeg: mannen zijn erop gemaakt seks te hebben met zo veel mogelijk vrouwen. Zij moeten immers hun zaad verspreiden. En daar hebben ze eindeloos veel van. Daarom is het heel natuurlijk voor een man om vreemd te gaan. Vrouwen daarentegen kunnen maar een beperkt aantal nakomelingen voortbrengen. Zij hebben dus niets te winnen met vreemdgaan en zijn tevreden met huisje boompje beestje.

Biologen zagen lange tijd ook in de dierenwereld geen tekenen van vrouwelijke ontrouw. Tot de DNA-test werd uitgevonden. Opeens bleek in de nesten van ogenschijnlijk brave huismoeders soms wel de helft van de eieren niet van de heer des huizes. Inmiddels is het voor biologen al geen vraag meer óf vrouwen vreemdgaan.

De vraag is waarom. Het lijkt erop dat veel vrouwtjesdieren kiezen voor de voordelen van het huwelijk (een man die meehelpt de jongen te verzorgen), met af en toe een aantrekkelijke minnaar erbij voor een genetisch gevarieerder en sterker nageslacht. Vrouwtjes kijken daarbij ook naar de kwaliteit van hun eigen partner. Aalscholvervrouwtjes die met hun ‘echtgenoot’ weinig gebroed voortbrengen, gaan bijvoorbeeld vaker vreemd.

Liefde is ontstaan uit pure ellende

Het is zo’n prachtig romantisch beeld: twee keizerspinguïns die met gebogen hoofden tegen elkaar geleund staan. Ook zo mooi: ze voeden samen hun kleintje op en in een volgend broedseizoen zoeken ze dezelfde partner weer op voor een volgende ronde gezinsgeluk.

Wie ooit de film March of the penguins heeft gezien weet echter wat een ellende ze moeten doorstaan om hun ei, en later hun pluizige koter te beschermen tegen de meedogenloze vrieskou en andere beproevingen. Deze absurd zware taak kan nooit volbracht worden door een alleenstaande pinguïn. Daarom bedacht Moeder Natuur de liefde; het warme gevoel tussen partners dat verder gaat dan kortstondige lust en verliefdheid. Het laat partners langere tijd samenwerken om de voortplanting tot een goed einde te brengen.

Ook voor de mens was het in het verleden een haast onmogelijke taak voor een moeder om haar kind alleen groot te brengen. Het leven op de savanne was keihard, en het kan niet anders dan dat mensen die meer van elkaar verlangden dan alleen een wilde nacht, met meer succes hun kinderen grootbrachten. Dat is dan weer een geluk bij een ongeluk: uit de diepste ellende ontsproten de mooiste gevoelens.

    • Dagmar van der Neut