De worst vind ik zo vies, die geven we aan de vogels

Twee vriendinnen uit Sint Jacob in Amsterdam bespreken hun verhuizing.

Jellie Wurtz (90) en mevrouw Dhaeze (89) zitten buiten op het bankje waar ze elke dag heenlopen. Over een week verhuizen ze. Wurtz: „Van mij had het niet gehoeven. Op je negentigste hoef je niet meer zo nodig. Ik zit hier prima.” Dhaeze: „We gaan wel naar een mooi huis, Jellie. Ruime kamers.” Wurtz: „Mooi hoor.” Dhaeze: „En we kijken uit op het winkelcentrum.” Wurtz: „Maar ik zal dit parkje wel missen.” Dhaeze: „Ik ook.” Wurtz: „Het is vlakbij mijn zoon zijn werk in Amstelveen. Ik zei al tegen ’m: nu ik dichterbij kom wonen, moet je twee keer per week langskomen in plaats van één keer.” Dhaeze: „We wonen bijna ons hele leven in Amsterdam. Nu gaan we de stad uit. Ik ga nog wel naar de kapper vrijdag.” Wurtz: „Ik ook.” Wurtz: „We zijn hier vriendinnen geworden. Ik woon op de eerste en zij op de derde. Ik woon hier negen jaar, zij zeven. We eten elke middag samen, in het restaurant, en we gaan samen wandelen buiten. We gingen vaak naar Artis. Vorig jaar kon ik nog naar de Hortus lopen maar dat kan niet meer. Je gaat achteruit hè. Ik kan nu alleen naar dit bankje.” Dhaeze: „Ik steek er een op hoor. Ik rook sinds mijn zestiende, nergens last van.” Wurtz: „Ik ben nog wezen kijken op locaties van Amstelring in de binnenstad. Veel te druk. En in west. Maar daar hingen allemaal schotels, een hele straat vol. Dat wil ik niet hoor. Mijn zoon zei ook: Amsterdam is Amsterdam niet meer. Hè, mijn gehoorapparaat piept.” Dhaeze: „Ik heb alle dozen zelf ingepakt. Maar ik moest er weer een openmaken vanochtend want mijn Ascal zat erin. Mijn bloedverdunners. Die moet ik slikken.” Wurtz: „Ik moest er ook een openmaken. Mijn föhn zat erin. Ik heb ook alles zelf ingepakt. Sommigen zeggen: je hebt er voor betaald, dus je hoeft het niet zelf te doen. Maar zulke principes heb ik niet.” Dhaeze: „Ik ben nooit getrouwd. Ik kon me niet binden. Alleen aan Jellie. Ik heb altijd gewerkt, in hoedenwinkels, modewinkels. Ik kon dus niet koken, mijn zus kookte altijd. Tot ze heel ziek werd, ze had reuma. Toen heb ik pas leren koken – ik was al in de vut. Maar ze vond het lekker wat ik kookte, gelukkig.” Wurtz: „Onze kamers zitten in het nieuwe huis naast elkaar. Mijn zoon had voor mij een kamer geregeld en toen bleek er net iemand te overlijden in dat huis. Dus hij zei: ‘Mag mevrouw Dhaeze hierbij?’ Dat mocht.” Wurtz: „Ik heb nooit gewerkt want ik was getrouwd. Mijn man werkte in het familiebedrijf. Hij kwam uit Amsterdam en was onderduiker bij ons in Friesland. Later zijn we getrouwd. Hij is gestorven hier in Sint Jacob, vijftien jaar geleden. Hij heeft er maar drie maanden gewoond, ik heb hem vijf jaar thuis verzorgd. Hij had Alzheimer, verschrikkelijk.” Dhaeze: „Ik heb brood bij me voor de vogels. En worst van vanochtend. De worst vond ik zo vies dat ik dacht: die geven we aan de vogels.” Wurtz: „Het eten is slechter geworden. Het was prima maar nu niet meer.” Dhaeze: „Uitsparen hè, op het eten.” Wurtz: „Er zijn nu veel lege kamers omdat veel mensen al zijn verhuisd. Dat is ongezellig, bah. En er komen af en toe mensen van andere afdelingen bij omdat die afdeling al helemaal leeg is. Wij bemoeien ons niet met die mensen.” Dhaeze: „We zijn vriendelijk tegen iedereen. Maar we bemoeien ons niet met elkaar.”