De kokkin van Lady Oxford

George Orwell was een van de weinige Britten van zijn tijd met een scherp oog voor het wezen van totalitaire systemen. Zo besefte hij als geen ander dat de Sovjet-Unie van Stalin een bolwerk van leugens was.

George Orwell schrijft in 1934 al aan te voelen dat er oorlog tussen Engeland en Duitsland zal uitbreken: „voelde het in mijn maag...”. Foto Hollandse Hoogte

In Homage to Catalonia, George Orwells verslag van zijn ervaringen als vrijwilliger in het anti-Francokamp tijdens de Spaanse Burgeroorlog, geniet je op iedere bladzijde van de scherpe observaties. Wat daarbij opvalt is dat Orwell, liefhebber van lijstjes, zo goed kan tellen. Zo kan het aantal beschikbare geweren meer over de uitkomst van een gevecht vertellen dan een verslag van de actie zelf. Dat tellen blijkt ook uit Dagboeken 1931-1949, de fraaie selectie die vertaalster Nelleke van Maaren van Orwells dagboekaantekeningen maakte voor de serie Privé-domein.

Die dagboeken bevatten weinig persoonlijks, maar wel vind je er de bouwstenen voor Orwells participerende journalistiek in terug, zoals zijn onderzoek naar het zwerversbestaan voor het verslavend goede Down and out in Paris and London (1933). Zo vermeldt hij in zijn verslag van een verblijf in een daklozenlogement de lengte van de bedden (1,60 meter), de prijs voor een nacht (7 pence), de inrichting van de keuken, de aanwezige ratten, katten en luizen.

Ook slentert Orwell na middernacht over straat om er opmerkelijke en mooie waarnemingen te doen, zoals: „De straten zijn om die tijd behoorlijk afschuwelijk, doodstil en verlaten, en toch bijna even helder verlicht als overdag, door die felle lampen waardoor alles iets doods krijgt, alsof Londen het lijk van een stad is.” En tegen drie uur ’s nachts staat hij op een grasveld achter het paradeterrein van de Guards, waar „prostituees en mannen in paren in de bitterkoude mist en dauw op de grond liggen”. In dergelijke treffende sfeerbeschrijvingen van de onderkant van de Britse samenleving, toont Orwell zich een meester.

Hetzelfde sociologische veldwerk doet hij in 1936, als hij de wereld van de mijnwerkers en de socialistische beweging onderzoekt. Dit keer worden hele huishoudboekjes van arbeidersgezinnen geanalyseerd. Ook heeft Orwell een W.F. Hermansiaans oog voor de mistroostige omgeving („Een angstaanjagend landschap van afvalheuvels en rook uitbrakende schoorstenen.”), de erbarmelijke woonomstandigheden, het gebrek aan hygiëne, de primitieve mijnschachten, het smerige eten. Heel Engeland oogt als één grote armoedige fabriek, waarin het leven net zo grauw is als in Orwells roman 1984.

In de maanden voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog somt hij vooral de belangrijkste gebeurtenissen op. Op het eerste gezicht lijkt hij zich meer zorgen te maken over zijn moestuin, maar tussen het tomatenkweken door kun je geleidelijk aan de oorlog zien naderen. En dan blijkt opnieuw hoe goed Orwell als een van de weinigen beseft wat er echt aan de hand is. Zo snapt hij meteen waarom Stalin in 1939 een niet-aanvalsverdrag met Hitler sluit: de dictator wil gebiedsuitbreiding in het westen.

Maagpijn

Uit het ‘Oorlogsdagboek’ blijkt voortdurend Orwells inzicht in het wezen van totalitaire systemen, dat hij opdeed tijdens de Spaanse Burgeroorlog, waar hij met name de verraderlijke spelletjes van Moskou snel doorzag. Ook schrijft hij in 1934 al te hebben aangevoeld dat er een oorlog tussen Engeland en Duitsland zou uitbreken: „voelde het in mijn maag...”. En over de Sovjet-Unie: „Evenmin hebben de gruwelen van de Russische zuiveringen me verbaasd, omdat ik altijd het gevoel had dat die impliciet besloten lagen in de bolsjewistische heerschappij – niet precies die dingen, maar iets dergelijks. Ik voelde het in hun literatuur.” In dat bijna intuïtieve wantrouwen jegens het leugenachtige Rusland was Orwell een zeldzame figuur.

Er staan vermakelijke zaken in dit deel van de dagboeken. Zoals het commentaar van 30 juni 1940 op de brief van Lady Oxford in The Daily Telegraph naar aanleiding van de oorlogsbezuinigingen, waarin ze schrijft dat er in Londen nog maar weinig ontvangsten en diners plaatsvinden en de meeste mensen hun kokkin hebben moeten laten gaan en in hotels wonen. Orwell reageert daarop als volgt: „Blijkbaar leren deze mensen nooit dat de overige 99% van de bevolking bestaat.”

Als geen ander laat Orwell in deze dagboeken zien hoe instabiel Engeland in 1940 was. Door het militaire overwicht van de Duitsers op dat moment zijn de binnenlandse spanningen groot, voornamelijk door de arrogante opstelling van de rijken, die niet zelden pro-Hitler zijn. Als arme East Enders zich toegang hebben verschaft tot een schuilkelder in het chique Savoy Hotel, verzucht hij: „Als je ziet hoe de rijken zich nog steeds gedragen in wat zich duidelijk ontwikkelt tot een revolutionaire oorlog, denk je aan Sint-Petersburg in 1916.”

Sociaal antisemitisme

Je zou bijna vergeten dat de overtuigde socialist Orwell zelf uit die betere kringen komt, totdat hij zich ineens onaangenaam uitlaat over Joden, die voor de Duitse bommen in de Londense metrostations schuilen: „Het vervelende van Joden is dat ze niet alleen in het oog lopend zijn, maar ook alle moeite doen om dat te zijn.”

Dat sociale antisemitisme was typerend voor de Britse upper middle class; ook schrijvende standgenoten als Virginia Woolf en Harold Nicolson bezondigden zich eraan. Het laat heel goed zien dat Orwell de genen van zijn elitaire afkomst nooit van zich af heeft kunnen schudden.

Orwell is op zijn best als hij in mei 1941 het leven in een als schuilkelder ingericht metrostation beschrijft: „Vooral jonge, getrouwde stellen, het soort huiselijke, voorzichtige types die hun huis waarschijnlijk kopen van een bouwfonds, samen gezellig onder een roze sprei. En de grote gezinnen die je hier en daar ziet, vader, moeder en een aantal kinderen, met z’n allen op een rijtje als konijnen bij de slager.” Zulke zinnen maken zijn dagboeken tot een genot om te lezen.

Tot aan het eind van zijn korte leven blijft Orwell tellen. Zo beschrijft hij een paar maanden voor zijn dood nog zijn dagindeling in het Londense ziekenhuis, waar hij voor zijn tbc wordt behandeld. „Kamer heeft: wastafel. kast, nachtkastje, bedtafeltje, ladekast, kleerkast, 2 spiegels, radio (knoppen naast het bed), elektrische kachel, radiator, fauteuil & 1 andere stoel, bedlamp & 2 andere lampen, telefoon. Kosten 15 gienjes per week, plus extra voor dokter, maar blijkbaar inclusief speciale medicijnen. Telefoon en radio zijn extra. (Kosten radio 3/6d per week.)”

Het is het laatste dat hij schreef.

    • Michel Krielaars