Dat pistool

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week het begin van de roman Met bloed doordrenkte baard van de jonge Braziliaanse schrijver Daniel Galera.

Hij ziet een glimmende vlezige neus vol poriën, als een mandarijnenschil. Een opvallend jeugdige mond tussen een kin en wangen vol fijne rimpels, de huid ietwat slap. Gladgeschoren. Grote oren met nog grotere lellen, die door hun eigen gewicht uitgerekt lijken te worden. Irissen met de kleur van waterige koffie in relaxte, zwoele ogen. Drie diepe groeven in de breedte op het voorhoofd, volkomen parallel en precies even ver van elkaar af. Gelige tanden. Achterovergekamd dik blond haar, dat tot onder in de nek valt. Zijn ogen doorlopen tussen twee keer ademhalen door alle kwadranten van dat gezicht en hij durft te zweren dat hij die man nooit eerder heeft gezien, maar hij weet dat het zijn vader is, omdat er verder niemand woont in dat huis daar in Viamão en omdat naast de stoel waarin de man zit met opgeheven kop de blauwige hond ligt die hij al zo lang heeft.

Wat is dat voor gezicht?

Zijn vader glimlacht, het is een oude grap en hij geeft het gebruikelijke antwoord.

Hetzelfde als altijd.

Nu kijkt hij naar zijn kleren, een donkergrijze maatbroek en een blauw overhemd met lange mouwen, dat hij tot de ellebogen heeft opgerold, en zweetplekken onder zijn oksels en boven zijn ronde buik, naar zijn sandalen, die gekozen lijken omdat het niet anders kon, omdat hij vanwege de hitte geen

leren schoenen aan kon trekken, en naar de fles Franse cognac en de revolver op het tafeltje naast de relaxstoel.

Ga zitten, zegt zijn vader, en hij wijst met zijn hoofd naar de witte tweezitter van namaakleer.

Het is begin februari, hartje zomer, en ook al zegt de thermometer iets anders, het voelt aan alsof het in Porto Alegre en omstreken meer dan veertig graden is. Toen hij aankwam, had hij gezien dat de twee ipê-bomen die de wacht houden voor het huis vol in het blad stonden en zichtbaar te lijden hadden onder de benauwde lucht. De laatste keer dat hij hier was geweest, in de lente, trilden de kruinen met gele en paarse bloesem in de koude lucht. Hij was met de auto langs de wingerd links van het huis gereden en had flink wat trossen piepkleine druiven zien hangen. Je kon je toen al voorstellen hoe ze na maanden droogte en hitte suiker uitzweetten. Er was in die paar maanden niets veranderd, er veranderde nooit iets aan die plek, een vlakke rechthoek met hoog opgeschoten gras en onkruid aan de kant van de zandweg, met het nooit gebruikte, verwaarloosde voetbalveld, het irritante geblaf van de andere hond buiten en de openstaande deur.

Waar is het busje?

Heb ik verkocht.

Wat doet die revolver daar?

Een pistool, het is een pistool.

Wat doet dat pistool daar?

Het geluid van een voorbijrijdende motor wordt begeleid door het geblaf van Bagre, schor als het hoesten van een verstokte roker. Zijn vader fronst zijn wenkbrauwen. Hij heeft een hekel aan die brutale herriemaker en houdt de straatjoekel alleen maar uit verantwoordelijkheidsbesef. Je kunt een kind achterlaten, een broer of zus, je vader, en heel zeker een vrouw, er doen zich omstandigheden voor waarin dat allemaal goed te praten is, maar je hebt niet het recht een hond achter te laten als je daar een tijdlang voor gezorgd hebt, had hij ooit tegen hem gezegd toen hij klein was en ze nog allemaal samen in Ipanema woonden, waar ze wel een half dozijn honden hadden gehad. Honden sluiten een deel van hun instinct voorgoed af om onder de mensen te leven en ze kunnen dat nooit meer helemaal terughalen. Een trouwe hond is een verminkt dier. Het is een pact dat je niet mag ontbinden. De hond mag dat wel, hoewel dat zelden voorkomt, maar de mens heeft dat recht niet, vond zijn vader. En dus moest hij de droge hoest van Bagre verdragen. Dat doen die twee nu, zijn vader en Beta, de oude Australische herdershond die naast hem ligt, een werkelijk prachtige teef, intelligent en behoedzaam, en zo sterk en gedrongen als een everzwijn.

Hoe gaat het met je, jongen? En die revolver? Ik bedoel dat pistool. Je ziet er moe uit. Ik ben ook moe. Ik ben iemand aan het trainen voor de Ironman. Een dokter. De vent is goed. Uitstekend zwemmer en de rest wordt steeds beter. Zijn fiets weegt met banden en al zeven kilo, betaal je minstens vijftienduizend dollar voor. Hij wil volgend jaar meedoen bij de voorselectie en over hooguit drie jaar deelnemen aan het WK. Dat lukt hem. Alleen is hij stinkvervelend, niet te harden soms. Ik slaap weinig, maar het is de moeite waard, want hij betaalt goed. Ik geef ook nog steeds les in het zwembad en het is me eindelijk gelukt mijn auto uit te laten deuken. Helemaal betaald. Kostte me twee mille. En verleden maand heb ik een week aan zee gezeten, bij de vuurtoren. Met Antônia, die met de rode haren. O nee, dat is waar ook, die heb jij nooit gezien. En nu is het te laat, want we kregen ruzie daar op het strand. Dat is het wel zo’n beetje, pa. En voor de rest gaat alles zijn gangetje. Waarom heb je dat pistool daar liggen?

Rode haren? Dat je daarop valt heb je van mij.

Pa.

Ik vertel je heus wel wat dat pistool daar moet. Verdorie, snap je dan niet dat ik eerst een beetje met je wil praten?

Oké.

Verdomme.

Oké, sorry.

Wil je een biertje?

Als jij er ook een neemt.

Ik neem er ook een, ja.