Zoeken, het gevoel uitgeschakeld

In oorlogsgebied zoeken naar sporen van een vliegtuigcrash. Twee leden van de Nederlandse missie vertellen hoe dat voelde.

Nederlandse en Australische forensische experts op de rampplek in Oekraïne. Foto Reuters

Ze kijken uit over de rampplek. Uitgestrekte weilanden met tarwe. Velden met maïs en zonnebloemen zo hoog dat ze er niet overheen kunnen kijken. Sommige stukken hebben dichte bosjes waar nauwelijks doorheen te komen is. Het zoeken is moeilijk. Gerry Burger: „Als forensisch onderzoeker zou ik het liefst op handen en knieën elke centimeter afzoeken, maar dat kon niet.”

Gerry Burger (38), werkzaam bij het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO), had vakantie toen vlucht MH17 neerstortte. Al snel kwam het besef: hier zal het LTFO heen moeten. Ze belde haar chef: als jullie mij nodig hebben, ben ik beschikbaar. Burger wilde helpen de nabestaanden hun dierbaren terug te geven. Nog diezelfde avond ging de telefoon.

Burger, blond met Friese tongval, is door de politie uitgekozen de interviews over de missie te doen. Ze vertelt in chronologische volgorde wat er in Oekraïne gebeurde. De wil om te werken staat voorop: „De schouders eronder en gaan.” Bij persoonlijke vragen worden haar antwoorden korter. Het zien van de crashsite was „confronterend”. Het niet op de plek kunnen komen was „jammer”.

Van tevoren is met politie en Defensie afgesproken waar we over kunnen praten: persoonlijke ervaringen van twee leden van de repatriëringmissie. Over het lopende onderzoek of resultaten kunnen ze niks zeggen. Details over wat ze op de crashsite zagen of vonden geven ze niet, uit respect en ter bescherming van de nabestaanden.

De achterkant van de missie

Majoor Gerhard Smit (40) is hoofd oefenstaf sector kennis bij het Opleidings-, Trainings- en Kenniscentrum Koninklijke Marechaussee. Tijdens het interview is hij in uniform. Hij vertelt over de achterkant van de missie. In alle rust legt hij uit welke beslissingen gemaakt werden. Toen de MH17 neerstortte, zat hij in zijn laatste werkweek. Op zondag, de dag voor zijn vakantie, belde zijn leidinggevende of hij naar Oekraïne kon gaan.

Hij zou zijn vakantie moeten annuleren. De plannen die hij met zijn vrouw en drie kinderen had gemaakt konden niet doorgaan. Hij moest zijn spullen pakken. Gebrieft worden. En dat binnen een dag. Hij hoefde er niet lang over te denken. „Persoonlijke belangen schuif je op zo’n moment aan de kant. De opdracht en het nationaal belang zijn zo groot. Ik vond het een eer daarvoor gevraagd te worden.”

De dag daarna zat hij in het vliegtuig naar Charkov.

Bij aankomst in Charkov werden ze ontvangen door iemand van Defensie. Een korte briefing: in welk hotel slapen ze, wie is hun vaste aanspreekpunt, waar zijn hun teamleden. Informatie over de situatie op de crashsite volgde later. Smit kreeg de leiding over de aanwezige staf. Hij kon meteen aan de slag.

Voor Burger begon het wachten. Elke dag kregen ze een briefing. Dan hoorden ze of ze die avond of de volgende dag naar de crashsite zouden gaan. De eerste dagen kon dat niet vanwege gevechten tussen separatisten en regeringsgroepen. Ze waren teleurgesteld, maar ze legden zich er bij neer. Nederland – en de rest van de wereld – volgde de ontwikkelingen op de voet.

Het wachten in Charkov duurde een week. Ondertussen was er in Soledar, zestig kilometer van de crashsite, een uitvalsbasis opgebouwd. Een forward operating base, in defensietermen. Soledar was het dichtstbijzijnde dorp dat groot genoeg was om de mensen van de missie onder te brengen.

De wachttijd vulden de onderzoekers vooral met elkaar leren kennen. Ze praatten over de ramp, maar ook over privézaken. En Burger belde elke avond even naar huis. Haar man hoorde op het nieuws over beschietingen daar. Burger stelde hem dan gerust: volgens de jongens van Defensie was het veilig, dus voelde ze zich veilig.

En toen konden ze voor het eerst naar Soledar. Burger: „Ik weet niet meer precies welke dag dat was. Er was geen maandag en dinsdag. De dagen liepen door elkaar.” Met een stuk of twintig mensen reden ze daarheen. In busjes, ongeveer 4,5 uur. „We moesten nog maar dertig kilometer, toen we werden teruggehaald. Dat was heel jammer, maar we hadden er begrip voor. Het was een beslissing van hogerhand.”

Het besluit terug te keren, kwam onder andere van Smit. De accommodatie waar de experts zouden verblijven kon niet snel genoeg goed beveiligd worden.

Smit en zijn mensen waren toen al bezig met het opzetten van het basiskamp: contact leggen met de burgemeester, de commandant, de bevolking. Het moest allemaal op zeer korte termijn. Smit: „We konden niet zomaar midden in nacht binnenvallen en zeggen: hier gaan we slapen. Dat geeft te veel onrust.”

In de eerste dagen werden de mensen die in Soledar zaten verzorgd door de bevolking. Leden van de missie konden bij hen douchen, eten en naar de wc. Naarmate de groep groter werd, waren meerdere slaapplekken nodig.

Het gemeentehuis werd de ‘operation room’. Een oud gebouw werd het hotel. Het team noemde het ‘Het Hilton’. Ze sliepen op stretchers. Wc’s waren gaten in de grond. Zoals in Frankrijk. Met z’n vieren naast elkaar en dan zonder deuren. Smit: „Niet het meest charmante, maar goed genoeg.”

Een dag na de mislukte tocht ging Burger alsnog naar Soledar. Van daaruit bezoeken ze de crashsite. Van tevoren zijn aan de hand van satellietbeelden een paar plekken aangeduid: daar zouden de meeste brokstukken liggen.

Tientallen vierkante kilometers werden grondig onderzocht. Ze wilden niks missen. Tijd om rustig te lunchen was er niet. De onderzoekers moesten steeds om vier uur het gebied weer uit zijn.

„We liepen op linie”, vertelt ze. Een lange baan heen en weer terug, gefocust, zoekend. Gevonden stoffelijke resten of bezittingen werden verpakt en gelabeld. Coördinaten erbij.

De eerste keer dat ze iets vond gaf een dubbel gevoel: er is een vliegtuig neergestort en zij loopt op de rampplek. En ook: hoera, we hebben wat. „Ik was veel bezig met de nabestaanden. Het doel was hen zoveel mogelijk terug te kunnen geven.”

Steeds meer soldaten

Toch probeerde ze tijdens het zoeken haar gevoel zoveel mogelijk uit te schakelen. Burger: „Het klinkt misschien heel hard, maar we waren met een opdracht bezig. Daar kun je niet veel emoties bij gebruiken. ’s Avonds hadden we het er onderling met collega’s over. Voor mij was een gesprek voldoende om het te verwerken. Anderen toonden behoorlijk wat emotie.”

De laatste dagen van de missie begonnen onveiliger te voelen. Ik weet niet of we hier nog wel kunnen blijven, dacht Burger. De checkpoints op weg naar de crashsite werden bemand door steeds meer Oekraïense soldaten. De partijen konden het staakt-het-vuren bij de rampplek niet langer garanderen. De missie werd afgebroken.

Smit: „Als we één of twee dagen langer hadden gehad was de opdracht misschien wel volbracht. De experts hebben een groot deel van de site doorzocht. We willen nog een keer terug. Dat kan ook over een maand nog. Of misschien zelfs na de winter, want in de sneeuw kun je toch niet zoeken.”

Burger: „Ook al duurt het zo lang, de motivatie om verder te zoeken blijft. Dat hoor ik ook van collega’s. Als we morgen terug kunnen, gaan we morgen terug.”

    • Anne Vegterlo