Voor James Foley van een Iraakse dichter

Ik droomde

dat Irak een zee was.

Haar oorlogen hoge golven,

haar verdriet donker zand,

het bloed

een verre zonsondergang.

Ik droomde

dat de sunnieten van Irak

haaien waren,

de Koerden zeesterren,

de christenen dolfijnen,

de Yezidi goudvissen,

de shi'ieten octopussen

en jij, James,

een hoog vliegende meeuw.

Ik droomde

dat Irak een zee was,

Saddam is een zoutige tsumani,

IS

zwarte ratten op een zinkend piratenschip

en ik

een boot met miljoenen gaten,

gebroken masten

en verbrande zeilen,

die niemand de zee op kan duwen.