Tussen de dingen gapen de afgronden

Voor K. Schippers heeft de grens tussen ‘gedicht’ en ‘tekst’ nooit bestaan – daar werd zijn tijdschrift Barbarber al beroemd mee. In zijn nieuwe bundel kan een gedicht soms ineens uitschieten.

K. Schippers, in 2010: ‘Hij kijkt zoals kinderen kijken’ Foto Vincent Mentzel

Vroeg in de morgen, in de hotelkamer, zegt zij: ‘… nog even bezig, ga jij maar vast.’ Dus hij gaat alvast, en zit even later alleen aan het ontbijt. Het is het begin van een gedicht van K. Schippers. De situatie brengt hem op een idee. Hij kan een leuke lezeres uitnodigen om in dit gedicht mee te komen ontbijten. Er is toch niemand die het ziet, ‘zo vroeg in de morgen, alleen/ jij, als je dit leest tenminste.’ Wil zij eerst weten wie er nog meer in de ontbijtzaal zitten? De dichter vertelt het haar. Wil zij niet opvallen? Hij gaat het regelen: hij haalt de twee flirtende hoofdfiguren eruit. ‘Ik ontbreek, net als jij. Niemand/ ziet waar we zijn. ’t Wordt nooit / opgehelderd, we weten ’t zelf / niet.’

Een alledaags tafereel in de ontbijtzaal is binnen enkele regels veranderd in een overspelig gedachtenexperiment. De lezer kijkt nu van de buitenkant naar regels waar niets meer te beleven valt, omdat de hoofdrolspelers zich hebben verstopt. Merkwaardig is wel dat zij dat zelf niet weten. Misschien maken wij allemaal wel deel uit van een andere onzichtbare werkelijkheid zonder het zelf te weten – is dat de gedachte waar Schippers mee speelt? Of wil hij ons bewust maken van de vreemde vorm van gedeelde werkelijkheid die kan ontstaan als iemand, een dichter, wat woorden op papier zet en daarna de lezer oproept mee te gaan in die wereld?

Omroepster

Aan het eind van zijn gedicht citeert hij een radio-omroepster: ‘Fijn dat u luistert!’ Dat is een vergelijkbare situatie. Tot wie richt ze zich? De dichter hoort het niet, en zijn leuke lezeres ook niet, want zij zijn al uit het gedicht weggeschreven. En bovendien staat de radio niet aan, zo lezen we in de slotregel. Wie hoort de omroepster wel? Je kunt je voorstellen dat zij in haar studio haar zin uitspreekt zonder dat er iemand luistert. Zo kan het ook met dit gedicht gaan: als niemand het leest, blijft het in de lucht hangen, als een radio-uitzending die niet beluisterd wordt. Die gedachte spreekt Schippers duidelijk aan, want hij vernoemde zijn nieuwe bundel ernaar: Fijn dat u luistert.

Een alledaags voorval is door een onalledaagse inval uitgelopen op een kleine verhandeling over een taalfilosofische kwestie: bestaat een ongelezen gedicht eigenlijk wel? Zo gaat het vaak in de gedichten van K. Schippers. Hij kijkt met een licht afwijkende blik om zich heen en ziet dan dingen die de meeste mensen niet zien. Hij wijst op het grote verschil tussen dromen en waken. In een droom worden alle verbanden verbroken, maar daarna wil het wakkere bewustzijn snel ‘de samenhang herstellen’; het ‘lijmt,/ voegt, spijkert,/ maakt een berg van los zand’ en het ‘zingt voor alles wat los zit […]/ de mis van het verstand.’ Het is een van de weinige plaatsen waar Schippers nadrukkelijk rijmt (‘zand’ – ‘verstand’) en woordspeelt (‘de mis van het verstand’). Verder zijn er in zijn gedichten weinig dichterlijke elementen te vinden. Zijn zinnen zijn kort en zijn woordgebruik is nuchter.

Zo onderzoekt hij de werkelijkheid, of wat wij daarvoor houden. Het is allemaal een kwestie van perspectief: ‘Ik zet drie etsen van Dick Cassée/ achter twee katten op een bank./ Ze kijken niet op of om.// Zo worden er wolken boven ons/ hoofd neergelaten zonder dat/ wij ernaar kijken.’ Misschien is er naast of achter ons een andere wereld die wij niet kunnen zien. Misschien voldoet alles wel aan een scenario dat wij nog niet kennen. ‘Gras ziet/ er soms uit of het de rol/ speelt van gras.’ Misschien wordt onze waarneming wel, veel meer dan wij beseffen, gekleurd door de taal die we spreken.

Schippers probeert ons naar letters te laten kijken zoals kinderen die nog nooit iets hebben gelezen naar letters kijken – en alleen het zwart zien, ‘staketsels en rondingen, meer niet.’ Hij kijkt zoals kinderen kijken naar de strepen tussen tegels, en vergelijkt dat ‘lichte bijgeloof’, die ‘alledaagse religie’ met ‘de grotere, allesomvattende bouwsels’ van de officiële religies. In datzelfde gedicht zegt hij met zoveel woorden waar zijn filosofie van ‘het onverbondene van de dingen’ op neerkomt: ‘de dingen hebben geen samenhang/ t.o.v. elkaar/ tussen hen in gaapt het/ van de afgronden’ en ‘alleen door ons kijken [ontstaat] samenhang.’

Kinderlijke onbevangenheid ligt hier dicht bij metafysica – dat is het bijzondere aan de poëzie van K. Schippers. Tussen alle perspectiefoverpeinzingen door staan Opperlandse grapjes, cijfergedichten in de traditie van Kurt Schwitters en Dada, typografische experimenten, stapelverzen en opsommingsgedichten.

Voorlichtingsfolder

Soms kan een gedicht met zo’n simpel uitgangspunt ineens uitschieten. Het lange, 45 regels tellende ‘Het bericht’ is een opsomming van de klantvriendelijke betuttelende zinnen die mensen in de voorlichtingsfolders van een ziekenhuis te lezen krijgen. ‘Houdt u rekening met een wachttijd’, ‘Soms is nader onderzoek nodig’ en ‘Bedankt voor uw begrip’. Daartussen duikt ineens deze krachtige aanbeveling op: ‘Een heer zeurt niet / over de dood, hij sterft alsof / hij wordt geboren.’ En dan gaat het weer door met quasi geruststellende berichten. ‘Een medewerker bereidt u voor.’

De 61 gedichten uit Fijn dat u luistert zetten de lezer geregeld op het verkeerde been. Het zijn proeven, denkspelletjes, testopstellingen – altijd interessant, maar niet mooi of melodieus of meeslepend. Voor K. Schippers heeft de grens tussen ‘gedicht’ en ‘tekst’ dan ook nooit bestaan. Daar is zijn tijdschrift Barbarber (opgericht in 1958) indertijd al beroemd mee geworden. Zijn ‘teksten’ zijn zakelijk en droog, op het gortdroge af.

Je zou van een heel eigen toon en stijl kunnen spreken, maar je moet er niet te veel van achter elkaar lezen. Elke dag één, als met een scheurkalender.

Er zou een markt voor kunnen zijn: de ‘K. Schippers Fijn dat u leest Scheurkalender’, met voor elke dag een verrassend idee, iets om over na te denken: ‘Zoek je de leegte? / Je arm ging er net doorheen.’