‘Slechts 3 op de 100 Nederlanders zijn ambtenaar’

Dat zei historicus Maarten van Rossem in De slimste mens

illustratie Robin Héman

De aanleiding

Over ambtenaren bestaan veel vooroordelen. Ze zouden lui zijn, ineffectief en bovendien met veel te veel. Al een paar kabinetten lang is de regering daarom bezig met snijden in het ambtenarenapparaat (‘eigen vlees’ zoals dat wordt genoemd). Maar klopt het wel dat er zo veel ambtenaren zijn? Volgens historicus Maarten van Rossem niet: slechts drie op de honderd Nederlanders zijn ambtenaar, zei hij vorige week in De slimste mens. nrc.next-lezer Dieter Steinbusch kan het bijna niet geloven en verzocht ons dit uit te zoeken.

Waar is het op gebaseerd?

Maarten van Rossem laat weten dat hij het getal ‘van het internet heeft geplukt’: „Als u ‘aantal ambtenaren per hoofd van de bevolking’ intypt, dan krijgt u diverse nuttige websites, te beginnen met een onderzoekje van Elsevier.”

En, klopt het?

Inderdaad staat op de website van Elsevier een artikel uit 2011 getiteld ‘Onderzoek: Nederland heeft weinig ambtenaren’. Het nieuws was overgenomen van Het Financieele Dagblad, dat meldde dat slechts 2,9 procent van de Nederlandse bevolking werkte voor het openbaar bestuur. Andere landen hadden een hoger percentage: in de VS was het 3,3 procent en in het Verenigd Koninkrijk 4,7 procent. Deze cijfers ontleende het FD aan onderzoek van bestuurskundigen van de Universiteit Leiden, gepubliceerd in de ‘Staat van de Ambtelijke dienst’.

Die cijfers staan inderdaad in de artikelenbundel. Wel zijn ze al enigszins verouderd: ze gaan over het jaar 2008. Inmiddels is er een tweede ‘Staat van de Ambtelijke dienst’ gepubliceerd (eind 2013). Voor de meest recente cijfers kijken we daarnaar. In 2012, het laatste onderzochte jaar, waren er 464.000 mensen in dienst van het openbaar bestuur: 2,8 procent van de Nederlandse bevolking.

Maar hoe zit het dan met de andere cijfers die te vinden zijn op internet? In een rapport van het ministerie van Binnenlandse Zaken uit 2012 stond dat 6,03 procent van de Nederlandse bevolking werkte in de ambtenarij. En cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uit 2008 reppen zelfs van 12 procent.

De verschillen blijken gemakkelijk verklaarbaar doordat een andere definitie van ambtenaar is gebruikt. De Staat van de Ambtelijke dienst beperkt zich tot mensen die werken voor het openbaar bestuur – hieronder vallen het Rijk, provincies, gemeenten, politie, defensieonderdelen, waterschappen, rechterlijke macht en gemeenschappelijke regelingen en staatsbedrijven. Het ministerie hanteert een ruimere definitie: de 6,03 procent omvat naast de openbare dienst ook onderwijs- en gezondheidszorgpersoneel. Het grote verschil met het OESO-cijfer komt ten slotte doordat de OESO het aantal ambtenaren afzet tegen de beroepsbevolking in plaats van tegen de gehele bevolking, zoals de andere rapporten doen.

Overigens blijkt ook uit de cijfers van Binnenlandse Zaken en de OESO dat Nederland vergeleken met andere landen relatief weinig ambtenaren heeft. Als personeel in het onderwijs en de zorg wordt meegerekend, heeft van Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de VS alleen Duitsland minder ambtenaren dan Nederland. En als het aantal ambtenaren wordt afgezet tegen de beroepsbevolking, zit Nederland met 12 procent onder het OESO-gemiddelde van 15 procent. Ook hier scoren Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de VS hoger.

Conclusie

Als je een strenge definitie neemt (alleen mensen die bij de openbare dienst werken) dan klopt het dat 3 op de 100 Nederlanders ambtenaar zijn. Tel je ook het personeel mee dat werkt in het onderwijs en de gezondheidszorg, dan is het percentage twee keer zo hoog. Maar omdat we bij een ambtenaar eerder denken aan een werknemer van de openbare dienst dan aan een arts of leraar, vinden we het terecht dat Van Rossem de strenge definitie heeft gekozen. We beoordelen de stelling daarom als waar.

    • Floor Rusman