Shakespeare in NY en Verdi bij de Tataren

Eerst niet, maar later wel liet deze regisseur zijn acteurs graag meedenken. Tiepolo, Picasso en Bacon inspireerden hem. Lees zijn meeslepende, vaak ook weemoedige toneelherinneringen.

Antonius en Cleopatra, regie Erik Vos en decor Tom Schenk, op het Zomerfestival Kansas City, 1982 Foto Pan Sok

Regisseur Erik Vos en zijn vrouw, schrijfster Inez van Dullemen, verlieten in 2008 voorgoed hun zomerhuis in Zuid-Frankrijk. Hun leeftijd dwong hen ertoe. Geen van tweeën was in staat de sleutel van huize ‘Renard’ om te draaien. Ze riepen de hulp in van hun zoon. Met deze ‘sleutelscène’ opent regisseur Erik Vos (85) zijn boek Herinneringen van een regisseur. Vos, in 1971 oprichter van de Haagse toneelgroep De Appel, smeedt de situatie meteen om tot een toneelgebeurtenis. Het was altijd zijn droom geweest De Kersentuin van Anton Tsjechov te regisseren, een stuk over afscheid en verlies, weemoed en herinnering. Het Nationale Toneel uit Den Haag biedt hem in het seizoen 2009-’10 die kans.

Even meeslepend als minutieus beschrijft Vos de ontstaansgeschiedenis van deze voorstelling, vanaf de eerste lezing tot de generale repetitie. Hij wijdt treffende passages aan Tsjechovs taal die in het Nederlands altijd te overladen is. Hij vraagt de spelers te improviseren op thema’s als ‘vaarwel’, ‘tijd’, ‘jeugd’, ‘herinnering’. Op deze manier, een beproefde methode van Vos, wil de regisseur een brug slaan tussen Tsjechovs wereld en de persoonlijke acteurswereld. De voorstelling moet de vorm krijgen van een ‘symfonisch gedicht’, een ‘kleine rapsodie van de opkomst en ondergang van Tsjechovs Kersentuin’.

Gesloten vorm

Het begrip ‘collage’ als vormprincipe is een terugkerend motief in de regies die Vos memoreert. Zijn inspiratiebronnen liggen minder bij toneelkunstenaars dan bij schilders als Picasso, Cézanne, Tiepolo, Bacon en Breughel. Vooral bij Cézanne en Picasso bewondert hij de onaffe, fragmentarische stijl, de schetsmatige lijn, een stijl die hij nastreeft in zijn regies. Vroeger was hij een regisseur van de perfecte, gesloten vorm waarin alles moest kloppen; hij schrijft over de ‘demon van het toeval’ die destijds zijn repetities beheerste. Nu is het toeval hem welkom en dierbaar. De acteurs vormen, dankzij hun eigen inbreng, een wezenlijk onderdeel van zijn collagetechniek.

Vos schreef eerder over zijn toneelherinneringen, onder meer in De wereld van transformaties, De hele wereld is toneel en In de arena. Dit nieuwe boek verenigt het beste van die werken: hij schrijft zowel over zijn artistieke overtuiging waarvan improvisatie de kern uitmaakt, als over de reacties daarop van acteurs. Hij betrekt het publiek erbij, de schilderkunst en zijn persoonlijke wederwaardigheden. Op spannende wijze analyseert hij De Kersentuin, Tsjechovs laatste toneelstuk dat hij ‘een komedie noemde, hoewel meer dan in enig ander stuk van hem de dood hierin een hoofdrol speelt’.

De regisseur Vos gaat ver over de grens: hij brengt Shakespeares Antonius en Cleopatra in Amerika, Verdi’s opera Fallstaff in Rusland en Trilogie van het zomerverblijf van Goldoni in Duitsland. Het lukt hem niet in het hiërarchische, onwrikbare Duitse theatersysteem de acteurs te inspireren tot Goldoni’s stijl van de commedia dell’arte. Duitse acteurs weigeren zich aan improvisaties over te geven en kunnen teveel vrijheid niet verdragen. Vos noemt de samenwerking met het vooraanstaande Berlijnse gezelschap de Schaubühne ‘die Hölle’. Wanneer de spelers voor de zoveelste keer in vergadering bijeen zijn om hun onvrede te delen neemt hij het vliegtuig naar Nederland. De desillusie is groot.

In Amerika treft Vos een heel andere wereld: acteurs zijn gretig, bereid tot alles, maar ook hevig met elkaar in concurrentie. Uiteindelijk weet hij een eenheid te bereiken, maar hij moet ook het publiek voor zich winnen met Shakespeares duistere tragedie Antonius en Cleopatra. Na de eerste try-out vraagt een boze toeschouwer: ‘Bent u de regisseur? Ik heb geen behoefte aan theater dat hoeren en zelfmoordenaars laat zien. Ik ga naar het toneel om te genieten.’ Zij verwijt hem dat dit ‘not Shakespeare’ is. Waarop Vos repliceert: ‘Did you know him?

Russen

Aan de andere kant van de wereld, in de Tataarse ‘winterstad’ Kazan aan de Wolga, werkte Vos met toegewijde en grootsgepassioneerde zangers en zangeressen aan Fallstaff. Er zijn hevige conflicten en niet minder hevige verzoeningen, de omstandigheden zijn vaak erbarmelijk. Toch lukt het Vos en de Russen een volwaardige Verdi te brengen met personages die ‘aan hun lot (zijn) overgelaten’.

Er schuilt veel weemoed in Vos’ toneelherinneringen. Verscholen onder het podium in Kazan treft hij een ouderwets draaitoneel. Met een schok herinnert hij zich het laatste originele draaitoneel in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag: ‘Maar dit unieke cultuurgoed werd vernietigd bij de verbouwing in 1998’. Ontroerend is zijn herinnering aan actrice Sacha Bulthuis, die vlak voor de repetities van De Kersentuin overleed, op 15 oktober 2009. Zij zou de hoofdrol van grootgrondbezitster Ljoebov spelen. Vos memoreert haar jarenlange betrokkenheid bij De Appel en de magie van haar spel: ‘Achteraf denk ik dat het te maken had met Sacha’s unieke vermogen om spel en realiteit bijna beangstigend met elkaar te verbinden, het werkelijke doodgaan en het gespeelde proces waren bij haar nauwelijks te onderscheiden.’

    • Kester Freriks