Lucratieve magie van gave oldtimer

Op veilingen breken oldtimers in het topsegment het ene na het andere prijsrecord. Het zijn vooral Amerikaanse miljardairs die zich roeren.

De Ferrari 250 GTO waarmee Fransman Henri Oreiller in 1962 verongelukte, is nu de duurste auto ter wereld: 28,5 miljoen euro. Foto’s Veilinghuis Bonhams

Een occasion is niet altijd een voordelige keus. Neem de Rolls-Royce Phantom, in 1963 in de kleur nachtblauw besteld door king of rock-’n-roll Elvis Presley. Die vijftig jaar oude auto is afgelopen week verkocht voor 300.000 euro.

Of neem de Mercedes-Benz 300 SL Gullwing waarmee de Amerikaanse gospelzanger Pat Boone eind jaren vijftig de blits maakte. Afgehamerd op ruim 1 miljoen euro. Echt onbetaalbaar is de Ferrari 250 GTO uit 1962, de knalrode toerwagen waarmee de Franse coureur coureur Henri Oreiller zich in 1962 doodreed. Met een prijs van 28,5 miljoen euro is dat nu de duurste auto ter wereld.

Het Britse veilinghuis Bonhams hield vorige week vrijdag in Californië een veiling die de trend bevestigde, dat op de prijzen voor klassieke auto’s in het topsegment momenteel geen maat staat. Het regende records, zowel voor kleine maar exclusieve auto’s zoals een Mini voor op het strand (181.000 dollar), als voor Italiaanse bolides met een indrukwekkende herkomstgeschiedenis. De 117 aangeboden auto’s brachten samen 108 miljoen dollar op, ruim 80 miljoen euro.

Hoogste veilingopbrengst

Voor de veiling werd druk gespeculeerd of de rode Ferrari 250 GTO voor de hoogste opbrengst ooit zou gaan zorgen. Dat Oreiller met deze toerwagen in 1962 na een klapband verongelukte, werd door sommige experts als een mogelijk nadeel aangemerkt. Maar daarvan bleek niets: de na de crash gerestaureerde Ferrari bracht 38 miljoen dollar op, 8 miljoen meer dan vorig jaar voor een zeventig jaar oude Mercedes-racewagen werd betaald, nu de op een na duurste auto ooit.

De markt voor vintage cars heeft zich de afgelopen jaren net zo ontwikkeld als de kunstmarkt: naar middelmaat is minder vraag en voor topkwaliteit staan liefhebbers in de rij. En dus zijn de veilingprijzen voor oude Bugatti’s en Ferrari’s net zo omhooggeschoten als die voor voor meesterwerken van Francis Bacon en Andy Warhol.

Voor klassieke auto’s worden nu bedragen neergeteld die in geen verhouding staan tot de reële waarde, zegt Jeroen Helms, al dertig jaar gecertificeerd taxateur van klassieke auto’s. Nog nooit is zijn werk zo ingewikkeld geweest als nu, zegt hij. Om dat te illustreren vertelt Helms het verhaal van een Ferrari 250 GTO die hij vier jaar geleden taxeerde voor een bedrag ver onder het miljoen. „Die staat bij een Nederlander van wie niemand weet dat hij oude auto’s verzamelt. Toen was 600.000 euro realistisch . Nu is die auto minstens het achtvoudige waard.”

De markt voor topklassiekers zit al sinds 2008 in de lift, zegt James Knight, bij Bonhams verantwoordelijk voor autoveilingen. „Dat lijkt heel verassend. Verzamelaars houden hun adem in en toch blijven de prijzen maar stijgen. Mensen zeggen: ‘Ik kan mijn geld op de bank laten verpieteren, of ik kan iets kopen dat ik altijd heb willen hebben’.”

‘Trophy hunters’

Geld is niets waard op het moment, zegt ook Helms. „Negatieve rente, dan kun je beter iets anders doen met je centen.” Volgens de taxateur zijn het vooral Amerikaanse miljardairs die de klassiekermarkt domineren. „Chinezen hebben vaak geen smaak. Die kopen liever een nieuwe Ferrari of Rolls-Royce, en dan met paarse lak en roze bekleding.”

De kopers van die peperdure klassiekers zijn wat ze in de Verenigde Staten trophy hunters noemen, zegt Helms. „Imagogevoelige verzamelaars die met zo’n magische Ferrari willen laten zien hoe onmetelijk rijk ze zijn.”

Met name de Italiaanse merken zijn in trek, zegt Helms, en dan vooral Bugatti en Ferrari. Van de 250 GTO zijn in de Ferrari-fabriek in Marinello begin jaren zestig slechts 39 exemplaren gebouwd, die destijds voor 18.500 dollar werden verkocht. Tien jaar geleden bracht een gaaf exemplaar hooguit 10 miljoen dollar op. De afgelopen twee jaar zijn er al vier verkocht voor meer dan 30 miljoen, waarvan eentje door de Nederlandse verzamelaar Eric Heerema. Volgens diverse bronnen heeft de Amerikaanse verzamelaar Paul Pappalardo vorig jaar bij een onderhandse verkoop voor zijn GTO zelfs 52 miljoen dollar gekregen.

Het kan gek gaan, zegt Helms. „Mooie Triumphs en MG’s doen weggeefprijzen op het moment. Maar neem de Porsche 912. Dat is een model waar tot voor kort alleen op werd gespuugd; een gaaf exemplaar deed hooguit 18.000 euro. Maar well to do Amerikanen kregen vroeger zo’n 912 van hun ouders om mee naar het college te rijden. Die mannen willen zo’n auto terug. Op veilingen brengen ze nu soms het tienvoudige op.”

    • Arjen Ribbens