Gezocht: een vrouw om mijn yoghurt te ontdooien

‘Er zijn maar twee soorten meisjes: meisjes die huilen omdat je niet echt verliefd op ze bent en meisjes, die je treiteren omdat je het wel bent.’ Er zijn allerlei redenen waarom de schrijver en dichter Max de Jong (1917-1951) beroemd had kunnen worden. Zijn aforismen (zie het bovenstaande), zijn gedichten, zijn essays, zijn dagboeken en zijn brieven – zijn romans desnoods. Het probleem: hij schreef ze niet. Bij zijn dood (tuberculeuze hersenvliesontsteking, doorgecompliceerd omdat zijn huisarts zijn kamer te vies vond om bij hem op visite te komen) had hij eigenlijk alleen het lange gedicht Heet van de naald (1947) gepubliceerd. Zijn dagboeken en brieven bleven lang achter slot en grendel.

Altijd was er wel een reden waarom De Jong niet kon schrijven: de radio van de buren, verliefdheid, geldgebrek en onrust – vooral veel onrust. Het komt allemaal aan de orde in Ik ben echt een genie, de briefwisseling tussen De Jong en publicist Hans van Straten (1923-2004), die door Kathinka Stel zorgvuldig is bezorgd en mooi is uitgegeven. De brieven geven niet zozeer nieuwe feiten over Max de Jong (in 2000 verscheen de biografie Altijd het tinnef om je heen van Nico Keuning), maar zijn een intrigerende onderdompeling in het literaire leven van kort na de bevrijding – op het ritme van de geest van Max de Jong.

Die is even snel als ongecontroleerd. Zo schrijft hij de (iets jongere, sociaal veel vaardiger) Van Straten in hysterisch enthousiasme over de uitvinding van de penicilline (ingepikt door de Britten in de oorlog ‘omdat toevallig ook afgeschoten benen er twee keer zo snel van aangroeien’). Ze maken plannen voor bloemlezingen en De Jong stuurt een lijst met de vijftig boeken die Van Straten absoluut moet lezen. De Jong is jaloers op de mensen die het wél maken, waarbij hij een obsessie voor de jonge Willem Frederik Hermans ontwikkelt: ‘Hij mist in een mate waarin dat nog nooit vertoond is iedere grein sportiviteit.’ Diep opgelucht schrijft hij dan ook als De avonden van Reve verschijnt : ‘Merkwaardig, dat de werkelijk goeie literatuur niet geschreven wordt door het in culturele aangelegenheden geïnteresseerde type, maar altijd weer door die vlezige society-knapen van het uitgesproken indolente slag zoals [Louis Th.] Lehmann en deze Simon van het Reve.’

Van daar ratelt het door over andere schrijvende prutsers, de mogelijkheid om in een oude directiekeet aan de rand van een volkstuinencomplex te wonen en een correspondentieschaakpartij en als klap op de vuurpijl een door De Jong nooit geplaatste contactadvertentie: ‘Schrijver zoekt jonge vrouw, bereid hem ’s winters bij te staan elke morgen zijn joghurt te ontdooien.’ Je had Max de Jong er eentje gegund.