Freek de Jonge: Het taboe is inmiddels taboe geworden

Wat was het leven eenvoudig, toen we het onderscheid tussen links en rechts nog kenden. In de jaren zeventig, toen de intellectuele goegemeente zichzelf als vanzelfsprekend links vond. Links dacht na, had idealen en was dus goed. Rechts had daarentegen alleen oog voor het eigenbelang, wilde de mensen dom houden en was dus fout. Links viel bovendien samen met modewoorden als progressief en vooruitstrevend die eveneens niets dan goeds betekenden.

In welke richting de vooruitgang zich voltrok, deed er niet toe – als er maar vooruit werd gegaan. En in het feestelijk middelpunt van die beweging stonden Freek de Jonge en Bram Vermeulen, die samen het overrompelende cabaretduo Neerlands Hoop vormden.

Neerlands Hoop was dus zo links als wat, vond iedereen. In werkelijkheid waren Freek en Bram echter lang niet zo eenvoudig te etiketteren, toont de historicus Rob Hartmans aan in zijn essayistische boek Freek, verschenen bij diens zeventigste verjaardag. Strak-dogmatisch waren ze in elk geval niet. Eerder speels, brutaal en ook empathisch. Dat de kleine Elsje in een van hun liedjes zo eenzaam was in Hopsi-Topsi-land, lag immers niet aan het kapitalistische systeem, maar aan gebrek aan ouderlijke aandacht.

Hartmans’ relaas gaat over de manier waarop Freek de Jonge zich in zijn werk over de tijdgeest heeft uitgesproken. De auteur vertelt zodoende twee verhalen, die hij bekwaam in balans houdt: hoe het ons in dit land sinds de jaren zeventig is vergaan en hoe de cabaretier daarop reflecteerde.

Hij concludeert dat de snoeiharde spot die in de glorietijd van Neerlands Hoop zo’n bevrijdend effect had, in de loop der decennia danig uit de hand is gelopen. Het maatschappelijk debat heeft een agressieve toon gekregen. ‘Wat toen vernieuwende kunst was’, aldus Hartmans, ‘leek ontaard in verbaal zinloos geweld en vandalisme’. En hij citeert Freek de Jonge, die in de jaren negentig al vaststelde: ‘Alle subtiliteit, alle suggestie, alle liefde, alle haat, alle humor bestaat bij de gratie van het taboe. Het taboe is de grondslag van de beschaving. Maar het taboe is taboe geworden’. Met andere woorden: het rebelse adagium dat alles moest kunnen, heeft een samenleving voortgebracht waarin inderdaad alles kan – maar helaas ook datgene wat een weldenkend mens niet zou moeten willen.

Een artistiek oordeel velt Hartmans niet. Hij bespreekt alleen wat de cabaretier al die jaren inhoudelijk te berde heeft gebracht. En hij hecht daarbij meer waarde aan diens theaterteksten dan aan alles wat Freek – niet altijd even doordacht – in interviews en praatprogramma’s heeft gezegd. ‘Wie wil weten wat Freek de Jonge ons te vertellen heeft’, schrijft hij terecht, ‘moet hem daar bekijken waar hij thuishoort: in het theater’.

    • Henk van Gelder