Een jaar geen ‘nee’ zeggen

Wat gebeurt er met een popster als de band uiteen is gevallen en het succes voorbij is? De openhartige memoires van Viv Albertine (The Slits) geven antwoord.

Viv Albertine in de Purcell Room van de Queen Elizabeth Hall in Londen Foto Hollandse Hoogte

Toen de jonge Viv Albertine tegen haar vader zei dat ze popzangeres wilde worden, antwoordde hij ‘Dat kan niet, je bent niet chic genoeg.’ Toen Albertine in 1976 met haar vriendje, gitarist Mick Jones van The Clash, door Chelsea, Londen, wandelde, kwamen ze Johnny Rotten en Sid Vicious tegen. Vicious vroeg of Viv een band met hem wilde beginnen. Geliefde Jones was verbijsterd, een band van meisjes en jongens door elkaar? Dat was ongekend.

Viv Albertine (1954, Sydney) kocht een gitaar en leerde een paar akkoorden. Met Vicious richtte ze punkgroep The Flowers of Romance op, en werd er vervolgens door hem uitgegooid. Daarop werd ze gitarist van The Slits. Die band van vier vrouwen was deel van de punkscene, maar plukte elementen uit jazz, rock en reggae. Hun liedjes waren gebaseerd op melodieuze baslijnen, wilde gitaarerupties en zang in de vorm van junglekreten van zangeres Ari Up.

De nog altijd indrukwekkende eerste lp van The Slits, Cut (1979), werd een – kleinschalig – succes. De band toerde in het voorprogramma van The Clash, en trad op in Amerika. The Slits onderscheidden zich van de punkcollega’s. Zoals Albertine zegt in haar onlangs verschenen memoires Clothes Music Boys: punks beweerden dat je niet virtuoos hoefde te zijn om muziek te maken, maar de leden van The Sex Pistols, The Clash en The Damned waren wel degelijk geschoolde muzikanten, met niet zelden een voorgeschiedenis in de pubrock. The Slits daarentegen leerden spelen op het podium, voor het oog van het publiek. Het was altijd maar hopen dat drumster Palmolive en de anderen tegelijk het eind van het liedje haalden. Begin 1982, na een periode van toenemende chaos, gingen The Slits uit elkaar. Albertine was 26.

Overdoses

Over de tumultueuze punkjaren vol vechtpartijen, aanstootgevende kleding, ongewenste zwangerschappen en overdoses (Slits-bassiste Tessa), doet Albertine kleurrijk verslag in Clothes Music Boys. Ze vertelt hoe ze spijbelt op de dag dat Horses, het debuut van Patti Smith, verschijnt, ze schrijft over de opwinding over de improviserende John Zorn en Misha Mengelberg, en over de samenwerking met de slechts 14-jarige, maar dominante Ari Up (overleden in 2010).

Punks waren arm, ze stalen hun eten en maakten zelf hun kleding. Zo begon Sid Vicious een trend toen hij uit zijn broek scheurde en de stof met veiligheidsspelden repareerde. Albertine stond op een bushalte toen een oudere Jamaicaanse vrouw haar geschokt aankeek en naar woorden zocht om duidelijk te maken dat Viv per ongeluk een gebruikt tampon aan haar oor had hangen. Waarop Albertine haar geruststelde dat het rood geverfde ding daar met opzet bungelde.

Als ‘rock-memoires’ hangt Clothes Music Boys een beetje uit het lood omdat de nu 59-jarige Albertine maar enkele jaren actief was als muzikant. Daar staat tegenover dat je eindelijk een eerlijk beeld krijgt van wat honderden muzikanten meemaken: wat te doen als je band uit elkaar is gevallen, en het succes achter je ligt? Voor Albertine was het einde van The Slits een drama. Ze moest weer bij haar moeder intrekken, vond het te pijnlijk om naar muziek te luisteren en was haar vriendenkring kwijt. Uiteindelijk werd ze aerobics-lerares, en stortte ze zich op een filmstudie, die haar werk opleverde bij de BBC.

Daarna begon de zoektocht naar een man en vervolgens een lange periode van inspanningen om zwanger te worden. Als na elf mislukte IVF-behandelingen eindelijk ‘baby’ wordt geboren, blijkt Albertine kanker te hebben. De behandelingen en de nasleep kosten een jaar of zeven. Er volgt een verhuizing naar een kustplaats, een leven als huisvrouw en de langzame, ongezouten beschreven onttakeling van haar huwelijk.

Vrolijke én ellendige episoden worden vrijelijk weergegeven, met minutieuze opsommingen van zowel seksuele als medische situaties. Het zijn wat veel details, maar Albertine schrijft met een ‘Bridget Jones’-achtige humor en zelfspot over gesneefde liefdes en levensvragen. Zo vertelt ze over haar hypochondrie na de genezing van kanker. Ze was ‘verslaafd’ aan check ups, totdat ze een rectaal onderzoek liet doen. ‘Ik had moeite om afstand te nemen van de veiligheid van de behandelkamer’, schrijft ze, ‘but a camera up your arse will sort that one out.’

Cruciaal in het boek is de houding van de buitenwereld ten aanzien van een vrouw die muziek wil maken. In de jaren zeventig waren vrouwenbands nieuw. Maar ook later ervaart Albertine het dedain en ongeloof waarmee muzikale vrouwen worden behandeld. Zoals ze ergens opmerkt: ‘Behind every succesful woman is a man who tried to stop her’.

Uiteindelijk verliest ze de liefde voor haar man, maar ze leert weer gitaar spelen, schrijft en zingt eigen nummers – bij ‘open mic’-avonden in dorpspubs – en neemt een solo-plaat op, het springerige The Vermillion Border (2012). Met The Slits doet ze een korte reünie, maar constateert dat die liefde vergaan is. Albertine woont nu met haar dochter in Londen en financiert haar muziek en kunstprojecten via crowdfunding. Als dit verhaal iets toont, is het haar veerkracht: de manier waarop ze na elke tegenslag, nieuwe mantra’s bedenkt (‘Een jaar lang geen ‘nee’ zeggen’). Zo werd Clothes Music Boys rock-memoires en zelfhulpboek tegelijk.

    • Hester Carvalho