Dit is het duurste park van Europa

Midden in één van de armste wijken van Nederland ligt een keurig strak parkje. Maar van parkwachter Ab Beker mag niemand er komen. „Die wildplasser, die is van mij.”

Midden in de Haagse woonwijk Spoorwijk ligt een lieflijk stadsparkje. Waterpartijtje met lelies, rozenstruikjes in strakke rijen, keurig afgewerkte bankjes, geen vuiltje op de grond. Het Hof van Heden – een bescheiden 60 bij 120 meter – is het keurigste parkje van Nederland.

In dat parkje staat een wachttoren. Een rond bakstenen bouwwerk van vijf meter hoog met geblindeerde ramen. Vanachter zijn bril met gele glazen houdt Ab Beker (59) bovenin als een havik zijn territorium in de gaten. Aan de muur zijn Navy Seals-pet, op tafel twee boterhammen met bal, de EHBO-trommel binnen handbereik.

De zon schijnt, maar er is niemand in het park.

Dat is niet erg. „Het moet hier rustgévend zijn”, zegt Beker met zijn armen over elkaar. „Dat is de klemtoon van het park.”

Hij tuurt naar buiten, naar de rij lege bankjes. De mensheid, vervolgt hij, leidt een hectisch leven. „Hier in het Hof van Hé-den” – hij spreekt het vol eerbied uit „komt de mens tot rust. Even ontláden van de stress.”

In de verte klinkt het gekletter van de fontein.

Dan veert Beker op van zijn stoel en stuift over de wenteltrap naar beneden.

Er is een bezoeker in het park.

Hondsbrutaal

„Hallo hallo! Kom jij eens effe hierheen!” Beker wijst met zijn vinger strak naar de grond. Een jongen met korte broek loopt bedremmeld naar Beker. Hij wilde alleen maar even liggen op het gras, zegt hij. Maar Beker is onverbiddelijk. „Liggen doe je thuis maar in je bed.”

Beker neemt, nadat de jongen is afgedropen, het park uit, geroutineerd weer plaats achter het glas. „Er zijn er bij die hondsbrutaal zijn”, zegt hij. „Maar dat winnen ze niet van mij.”

Zo’n twintig jaar ligt het stadsparkje er nu. Het Hof van Heden kwam er tegelijk met de nieuwbouw rondom. Verse bakstenen, die in één klap de oude huizen met probleemgezinnen verdreven. Het was zo’n goed idee dat de gemeente Den Haag er in 1997 aan zichzelf de Nieuwe Stadprijs voor uitreikte. Kosten: 1,2 miljoen euro voor de aanleg, plus een kwart miljoen per jaar voor toezicht en onderhoud. „Het duurste park van Europa”, mopperen lokale welzijnswerkers.

Oase

Maar dan krijg je ook wat. Midden in de armoedige volksbuurt vol grootstedelijke problematiek ligt nu een park waar zelfs in de vuilnisbakken geen afval zit. Elk dood blad wordt vakkundig door Beker van de grond geprikt. Er liggen geen lege blikjes, geen sigarettenpeuken. De duivenpoep wordt van de bankjes gepoetst. „Dit is een oase van rust.”

Dat gaat niet vanzelf. Zijn eerste daad toen Beker aantrad was de verplaatsing van het bord ‘verboden te’. Dat staat nu prominent in het zicht, midden in het park.

Verboden te barbecuen.

Verboden te picknicken.

Verboden te badmintonnen – „daar krijg je kale plekken van”.

Voetballen? „Helemaal niet.”

Geen drugs, geen zwervers. Daar levert enkel rotzooi op.

Een kinderfeestje in het gras? „Ik haal ze er van af.” Een stelletje? „Ik haal ze er vanaf”.

Bruiloftsfoto’s? Vooruit, dat wel.

Niet vissen in de vijver. Een kat mag, maar een hond niet, omwille van „een stukje veiligheidsaspect”.

Fietsen? Alleen op een driewieler. „Maar niet in de aarde.”

Niet liggen op het gras. En ook niet op de bankjes. Beker: „Dit park is aan regels gebonden.”

Zóveel regels, dat er geen Spoorwijker meer komt. De Spoorwijker heeft liever een trapveldje dan dure rijtjes aangeplante wildbloei. Die wil geen pagodes met hangend groen, maar een stuk gras om met een biertje op te barbecuen. Je kunt wel om de vijf meter een bordje ‘niet op lopen a.u.b.’ plaatsen, een Spoorwijker kiest zijn eigen pad. En dat is meestal het kortste.

Maar Beker, die zelf opgroeide aan de beruchte Beetsstraat tegenover het park, heeft daar geen boodschap aan. „Dit is een rust-park. Het Hof van Hé-den.” En als een engel met een vlammend zwaard zal hij die rust bewaken. „Niks is eigenwijzer dan de mensheid”, doceert hij. „Regeltjes overtreden en kijken wie er wint, dat is het spel van het leven.” De bezoekers zijn net kinderen, vindt hij. „Luisteren doen ze lang niet altijd. Het is psychologische oorlogsvoering.”

Wildplasser

Neem die wildplasser. „Die is voor mij”, wist Beker. „Die verzet geen stap meer.” Hij haalde gelijk de politie erbij. Of die jongen op de brommer die de ballesjans kwam uithangen. Beker spurtte naar buiten, wees dreigend op het bord. „Dit is een voetpad, beste man. Toen bond die jongen wel in. Ik zal me maar gedragen als ik jou zo zie, zei hij.” Soms krijgt hij het hele Dijkzigtziekenhuis naar z’n hoofd. „Maar ik heb een dikke huid.”

Nu is het wel erg stil. In de zomer komen er een stuk of dertig bezoekers over de hele dag, meestal dezelfde. In de winter hooguit twee. En als het regent niemand. „Daar moet je wel tegen kunnen.” Zou hij dan niet wat meer bezoekers willen? „Ik hou ze niet tegen. Maar hoe meer mensen”, hij schuurt zijn handen tegen elkaar, „hoe meer wrijving.” Het zou mooi zijn als mensen elkaar ontmoeten, maar het hoeft niet. „Soms loop je langs elkaar heen. Maar ach, dat is het hele leven.”

Dan veert hij weer op. Tik, tik, tik tegen het raam. Hij rent weer naar beneden. In de verte slalommen twee jongens op een fiets door het park. „Heuj!”

    • Freek Schravesande
    • Carola Houtekamer