De kunsten lijden groeipijn, ze zijn toe aan serieus debat

Het MOTI, museum voor beeldcultuur in Breda, had een zaak aangespannen tegen de Raad voor Cultuur (RvC). Die had het subsidieverzoek van het museum afgewezen, maar dat was niet de inzet van het proces. Dat betrof de inhoudelijke waardering waarmee de RvC zijn beslissing had onderbouwd. Die was negatief, wat niet verbaast, gezien het negatieve advies. Maar volgens het MOTI had de raad dat oordeel moeten inslikken. Aangezien er ook procedurele redenen waren om het verzoek om subsidie af te wijzen was het niet nodig een oordeel te vellen. Daarmee, meende MOTI, had het imagoschade geleden en die wilde het museum verhalen op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Het museum verloor afgelopen week de zaak definitief, bij de Raad van State. Vreemd is dat niet. De RvC heeft als taak te adviseren waar subsidiegeld op zijn plaats is, en omdat dit overheidsgeld betreft, heeft zowel de betrokken instantie als het publiek recht op onderbouwing. Met imago heeft de RvC niks te maken. En de 26.000 euro die het MOTI claimt te hebben verloren doordat het bezoekersaantal terugliep, kunnen ook worden opgevat als bewijs van het gelijk van de RvC. Maar dat mag blijkbaar niet gezegd worden.

Onbedoeld illustreert deze zaak het essay dat Melle Daamen, directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg, gisteren in deze krant publiceerde. Hij roept op tot een debat over kunst en kunstbeleid en stelt dat dat maar niet van de grond komt, onder andere doordat in de kunsten het geven van een mening voor onbehoorlijk doorgaat. We houden het liever gezellig. Wie uit hoofde van zijn functie toch een, onwelgevallige, mening geeft, wordt genegeerd of de mond gesnoerd. Zo werd de filmcriticus die negatief schreef over de film De overgave routineus beticht van „een vete”.

Daamen legt in zijn oproep de vinger op de zere plek. Kunstaanbod en -consumptie zijn snel en radicaal bezig te veranderen en dat kost groeipijn. Die wordt nu gesmoord door het gesprek over kunstbeleid te verengen tot het bespreken van bezuinigingsoperaties. Dat is veilig, daar zijn de stellingen betrokken. Maar wie de kunsten serieus neemt, moet inhoudelijk durven praten en dat kan per definitie niet alleen in juichtonen.

Wat heeft potentie, wat is minder? Wat willen we doen, wat kunnen we achter ons laten? Daar kan open over gesproken en van mening verschild worden. Door kunstenaars, kunstinstellingen, fondsen, beleidsmakers, opinieleiders. Door de elite en ook door wie nooit naar de opera gaat. Door iedereen die zich realiseert hoezeer de kunsten de wereld verhelderen, verfraaien en onderbouwen.