Buitenlandse politiek is werkelijk een vak

Ongeveer een maand geleden werd Nederland diep geschokt door het neerschieten van het Maleisische verkeersvliegtuig waarbij 196 landgenoten het leven verloren. Wie zijn de schuldigen? De separatisten? Oekraïense strijdkrachten? We weten het nog steeds niet. Wel zien we iedere dag op de televisie dat de strijd daar verder gaat. Als gevolg van die oorlog lopen de spanningen tussen Rusland en het Westen op. Op economisch gebied groeit er nu werkelijk een koude oorlog waarvan wederzijds het publiek de gevolgen ondervindt terwijl niemand weet hoe die zal aflopen. De spanning stijgt.

Een half jaar geleden was ISIS, de islamistische beweging die nu IS heet, in het Westen vrijwel onbekend. Nu onze grootste vijand in het Midden-Oosten. De IS heeft zich in Syrië en Irak gevestigd, steden veroverd, het volk van de yezidi’s verjaagd en nu een Amerikaanse journalist, James Foley, onthoofd. Van die gebeurtenis is via de sociale media een filmpje de wereld ingestuurd. Opnieuw en vanzelfsprekend een storm van verontwaardiging in de hele westelijke wereld. De IS was intussen al als een internationaal gevaar erkend. De Amerikanen hebben steden en knooppunten gebombardeerd die hun aanhangers in handen hebben.

Andere landen steunen de tegenstanders van de IS met wapens en humanitaire hulp. Het heeft nog niet geholpen. De Franse president Hollande heeft in een interview met Le Monde voorgesteld, een internationale conferentie te houden om tot een gemeenschappelijke actie tegen IS te komen. Een goed idee, maar het is niet voldoende. Zoals blijkt uit de twee diepe crises die ons volstrekt hebben verrast, ontbreekt het het westelijk leiderschap in zijn geheel aan het noodzakelijk inzicht in de wereldsituatie. We hebben de oplopende spanningen tussen Rusland en Oekraïne niet voorzien, we hadden er geen notie van dat zich in het Midden-Oosten een gezworen vijand van tienduizenden moslimfanatici zou ontwikkelen. Kortom, de toestand waarin we ons nu bevinden is in zekere zin ook te wijten aan de achteloosheid van onze politieke elite.

Deze houding hebben onze leiders zich kunnen veroorloven. We leven in een democratie waar we op gezette tijden onze leiders kunnen afzetten of handhaven. Toen een jaar of tien geleden president Bush jr. met zijn oorlog tegen Saddam Hoessein bezig was de grondslag voor de verwoesting van Irak te leggen, heeft een meerderheid van het Amerikaanse electoraat dat met instemming gevolgd. In Libië is het afdanken van dictator Gaddafi en zijn gezelschap nog redelijk afgelopen. Maar intussen was de zelfverwoesting van Syrië begonnen. Dit proces gaat verder, met dit verschil dat het strijdtoneel een leerschool is geworden voor jonge jihadisten van wie een ongeteld aantal de vaardigheden die ze daar hebben opgestoken, in westelijke landen in de praktijk wil brengen. Vandaar het verscherpte toezicht op de vliegvelden. Maar het neerzetten van nog geraffineerdere detectiepoortjes is geen buitenlandse politiek.

Na de deconfitures van Bush heeft het Westen in het Midden-Oosten geen beleid meer dat als een samenhangende buitenlandse politiek kan worden gezien. Dat is een historisch tekort van langzamerhand rampzalige omvang. Hetzelfde geldt voor de westelijke houding tegenover de burgeroorlog aan de Russisch-Oekraïense grens. We maken ons bezorgd over de export van onze tomaten en peren en we zijn geschokt en diep bezorgd over het feit dat een verkeersvliegtuig is neergeschoten. Allemaal zeer begrijpelijk en terecht, maar in de verste verte geen samenhangende buitenlandse politiek. Dit is het tekort waar het Westen duurzaam aan lijdt.

Buitenlandse politiek is een vak dat historisch besef, visie en realisme eist. Die kwaliteiten missen we.

    • H.J.A. Hofland