Allen die in oorlog zijn, handhaaf Verdrag van Genève

Rechtsregels genoeg om de menselijkheid in gewapend conflict te eerbiedigen, maar de huidige oorlogen schreeuwen om betere handhavinginstrumenten, menen de Zwitserse Bondspresident Didier Burkhalter en Rode Kruis-voorzitter Peter Maurer.

Illustratie Aislin

Vandaag 150 jaar geleden werd de eerste Geneefse Conventie aanvaard – ‘voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde’. Hiermee werd in het volkenrecht de gedachte verankerd dat zelfs in tijden van oorlog een zekere mate van menselijkheid moet worden bewaard.

De huidige oorlogen hebben weinig gemeen met de veldslagen van de 19de eeuw. De strijd heeft zich verplaatst van afgebakende slagvelden naar bewoonde gebieden. De traditionele oorlog tussen legers van vijandige landen is de uitzondering, terwijl de niet-internationale conflicten de norm zijn geworden. Tegenwoordig zijn burgers de dupe van gewapende conflicten.

Het internationaal humanitair recht heeft zich aan deze verandering aangepast. Geschokt door de verwoesting en het lijden in de Tweede Wereldoorlog besloten landen in de vier Geneefse Conventies van 1949 tot een uitvoerige bescherming van personen die niet of niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen – gewonde en zieke soldaten, krijgsgevangenen en burgers.

Deze hoeksteen van het internationaal humanitair recht werd in 1977 en 2005 uitgebreid met drie aanvullende protocollen. Het gebruik van bepaalde wapens, zoals biologische en chemische wapens, clustermunitie en antipersoonsmijnen, is nu alom verboden. De verdragen hebben grenzen gesteld om de meest kwetsbaren tegen de wreedheid van de oorlog te beschermen. De invoering ervan heeft ook tot een zekere vooruitgang geleid, zoals in de opleiding van militairen of bij de vervolging van de ergste oorlogsmisdaden, vooral dankzij de oprichting van het Internationaal Strafhof (ICC).

Toch ontvangen we dagelijks uit de hele wereld gruwelijke verslagen en foto’s die getuigen van onuitsprekelijk leed in gewapende conflicten. En maar al te vaak zijn ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht de oorzaak van dit leed. Ten grondslag aan dit alles ligt ons collectieve falen.

In het gemeenschappelijke artikel 1 bij de vier Geneefse Conventies van 1949 hebben de Verdragsluitende Staten zich verbonden ‘eerbied te hebben voor en de eerbiediging te waarborgen van’ deze verdragen, en wel ‘onder alle omstandigheden’. Maar tot dusver hebben ze verzuimd zichzelf de vereiste middelen te verschaffen om hun beloften na te komen. Het ontbrak aan mechanismen voor doeltreffende naleving. Deze onmacht heeft voor hen die door oorlog werden getroffen vaak dood en verderf tot gevolg gehad.

De beginselen van het internationaal humanitair recht zijn universeel geldig. Maar er is wel een voortdurende inspanning vereist. Een recht dat geregeld wordt geschonden zonder dat dit een duidelijk reactie oproept, zal na verloop van tijd vermoedelijk zijn geldigheid verliezen. Met alle denkbare gevolgen voor de slachtoffers van gewapende conflicten.

Daarom zijn Zwitserland en het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) al sinds 2012 met alle landen in gesprek over verbetering van het internationale recht. Hun werk berust op een mandaat van de 31ste Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan. Zij hebben de overtuiging dat landen een forum nodig hebben waarin ze gezamenlijk kunnen beslissen over de maatregelen die nodig zijn om een betere naleving van het internationaal humanitair recht te bewerkstelligen. Ze zouden geregeld en systematisch moeten bespreken in hoeverre ze aan hun verplichtingen voldoen. Met behulp van dit forum zouden de landen gaandeweg een globaal beeld krijgen van de mate waarin deze verplichtingen worden nagekomen en de bijbehorende uitdagingen tegemoet worden getreden.

Op grond hiervan zouden de landen ten slotte maatregelen kunnen nemen om de toepassing van het internationale recht te versterken, bijvoorbeeld door elkaar te helpen bij de ontwikkeling van de benodigde vaardigheden en capaciteiten om aan hun verplichtingen te voldoen. Ze zouden elkaar ook op de hoogte kunnen houden en van gedachten kunnen wisselen over de doeltreffendste maatregelen om deze vaak ingewikkelde taak aan te pakken.

Een forum van staten zou ook de benodigde voorwaarden scheppen om te waarborgen dat de toekomstige ontwikkelingen in de oorlogvoering (zoals nieuwe wapentechnologie) worden bepaald door het recht, en niet andersom. Ook is het belangrijk dat de landen een geschikt instrument hebben om op ernstige schendingen te reageren, om zulke misdaden in de toekomst te voorkomen en om de burgerbevolking tegen verder lijden te beschermen. Een mechanisme om de oorzaken van zulke schendingen te onderzoeken zou nuttig zijn.

Conform hun mandaat zullen Zwitserland en het ICRC specifieke aanbevelingen over de oprichting van een dergelijk forum doen tijdens de 32ste Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan, die najaar 2015 in Genève wordt gehouden. Bij die gelegenheid zullen de landen beslissen over de actie die ze willen ondernemen. Sinds de aanvaarding van de eerste Geneefse Conventie 150 jaar geleden, is het internationaal humanitair recht een centrale pijler van de internationale rechtsorde. De bepalingen ervan strekken uiteindelijk tot de bescherming van ons belangrijkste kenmerk als mens: onze menselijkheid. Dat is een onherroepelijk recht. Het berust op de overtuiging dat het essentieel is om regels vast te leggen als we willen voorkomen dat oorlogen in barbarij ontaarden.

Het is aan onze generatie om deze verworvenheden te verstevigen en een institutioneel kader te scheppen. Om doeltreffend te zijn, heeft het recht instrumenten nodig. Nog nooit in de geschiedenis van de mensheid zijn we dichter bij een oplossing geweest dan op dit moment.

    • Didier
    • Burkhalter
    • Peter Maurer