opinie

We leven in ironieloze tijden

Satire op Facebook moet voortaan worden voorzien van een waarschuwing. Blijkbaar zijn we te lui voor ironie, schrijft Christiaan Weijts.

Nederland wil de Koerden best bewapenen in de strijd tegen IS, maar dan hooguit met scherfvesten. „Scherfvesten brengen geluk,” lacht minister Hennis-Plasschaert, die overweegt om levensgrote naaktfoto’s van zichzelf op de vesten te drukken. „Dan slaan die radicale Islamitische strijders meteen op de vlucht voor zoveel – in hun ogen – duivelse onreinheid. Anders sturen we wat Westlandse boycot-tomaten. Die kunnen Koerdische vrouwen verstoppen onder hun kogelvrije burka’s.”

Zo wilde ik deze column ongeveer beginnen, totdat ik mij realiseerde dat dit helemaal niet meer mag. Niet van Facebook althans. Daar gaan ze satirische nieuwsberichten – van sites als in Nederland De Speld – voortaan markeren. Opgepast: grap.

Een grap als grap markeren vernietigt de kracht ervan. Ironie (van het Griekse eirooneia: ‘geveinsde onwetendheid’) wil juist zeggen dat je doet alsof je niet doorhebt dat je iets raars zegt. De lezer moet dan zelf het contrast tussen de werkelijkheid en de bewering inzien, op zich in laten werken, en de beloning voor al die intellectuele inspanning is een des te uitbundiger – want uitgesteld – mentaal orgasme.

Blijkbaar zijn veel mensen niet meer in staat tot zo’n inspanning. Het willen uitbannen van de ironische dubbelzinnigheid is tekenend voor een tijdgeest van domme eenduidigheid, kale feiten en netto gewin. Het is tekenend voor een tijd waarin stompzinnigen elkaar uitmoorden om hun godsbeelden en andere invullingen van hun imaginaire ruimtes. Het is tekenend voor de Twitteraars en Facebookers die elkaar moreel de maat nemen. Het is tekenend voor vlaggenzwaaiers, stenengooiers, koppensnellers en soortgelijke vijanden van de geest.

Maar er is toch meer humor dan ooit? Kijk eens op GeenStijl, kijk naar al die cabaretiers, columnisten en andere beroepsclowns! Kijk hoe iedereen voor hobbyhumorist speelt op z’n eigen account! Zeker, maar het overgrote deel van die humor is deze heel beperkte vorm: A bespot B vanuit zijn eigen morele gelijk.

Werkelijk geslaagde ironie is bijvoorbeeld die tweet van Thijs Römer op 20 maart, na het historische ‘minder, minder, minder’: ‘Volkert, waar ben je als je land je nodig heeft…’ Het zinnetje prikkelt op allerlei niveaus: je kunt het niet letterlijk nemen, maar het beweert ook zeker niet het omgekeerde. Het is een snijdend en fonkelend vraagteken in een sociale mediavijver van botte uitroeptekens, die het niet begrepen en hem, van links tot rechts, fileerden. Nu doet Facebook de ironie in de ban.

We ginnegappen wat af en toch zijn het ironieloze tijden, want we ginnegappen vanuit de luie stoelen van ons onomstotelijk gelijk. Ironie is de handen vragend opheffen, niet de vuisten ballen. Ironie is de vrolijke vrijheid van het dubbelzinnige, niet de dictatuur van de eenduidigheid.