Waarom het kunstdebat in Nederland zo moeizaam is

Wat zijn de problemen als het gaat om kunst en beleid in Nederland? Melle Daamen, directeur Stadsschouwburg Amsterdam, lid Raad voor Cultuur, zoekt op persoonlijke titel een antwoord. Deel een van een tweeluik.

Illustratie Olivia Ettema

Twee artikelen schreef ik vorig jaar voor deze krant. Het eerste (6 juli 2013) was kritisch over het overheidsbeleid. Daar kwam weinig reactie op. Het tweede artikel (7 december 2013) was kritisch over de kunstensector: die moet zelf scherpe keuzes maken. Dat zorgde wel voor veel beroering, hoewel ik ervan overtuigd ben dat veel collega’s het met de inhoud grotendeels eens zijn.

Dat er negatieve reacties van een deel van mijn collega’s zouden komen, was te voorzien. Maar de heftigheid, vooral via Twitter en Facebook, had ik niet verwacht. Zo werd ik door verschillende collega’s als hulpje van Halbe Zijlstra of zelfs Geert Wilders neergezet. Door in het artikel als gedachte-experiment ook nog de vraag te stellen of Het Nationale Ballet de kostbare klassiekeballettraditie op topniveau in stand zou moeten houden of dat het mogelijk zou zijn deze op andere plekken in Europa te verankeren, werd ik door de danscollega’s uitgeroepen tot ‘vijand van de dans’. Met dergelijke ‘framing’ had ik nog nooit eerder te maken.

Een fris en frank debat over kunstbeleid komt moeizaam op gang. Dat bleek ook weer toen voor de zomer de Raad voor Cultuur met zijn Cultuurverkenning opriep tot een debat over het kunst- en cultuurbeleid. Voor zo’n debat is alle reden. Digitalisering, vergrijzing, het afhaken van publiek, verstedelijking en globalisering zijn ‘gamechangers’ voor het staande cultuurbeleid. De reacties op de prikkelende opmerkingen van d eRaad waren opvallend mild. De publieke debatten over kunstbeleid worden veelal bepaald door braafpraat en heilige huisjes. Eigenlijk lijkt de positie van de kunstwereld politiek en maatschappelijk al jaren geïsoleerd en ze komt daar moeilijk uit. Hoe komt dat?

1 Calvinisme Het begint met de Nederlandse identiteit van koopman en dominee. De ermee samenhangende waarden (soberheid, afkeer van pronkgedrag, pragmatisme, egaliteit en houding van ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’) zijn allerminst ideale vertrekpunten voor een bloeiend kunstleven.

2 Politieke luwte De Nederlandse overheid was relatief laat met kunstbeleid. Het moment dat de overheid zich actief met de kunsten ging bemoeien, dateert pas van na de Tweede Wereldoorlog en het was nimmer een serieus politiek item.

In de verzuilde pacificatie-democratie, zoals wij die het grootste deel van de vorige eeuw kenden, bevonden minderheden, kunstenaars en wetenschappers zich in een politieke en bestuurlijke luwte. Daaraan is overigens de kunstwereld zelf ook debet, zij vond het na de oorlog wel prettig in de politieke luwte te vertoeven. Door meer te focussen op het privédomein dan op het publieke domein heeft de Nederlandse kunstensector zelf weinig aan zijn draagvlak gedaan. De kunstensector heeft dan ook geen sterke lobby, is zwak georganiseerd en gefragmenteerd, ook doordat de instellingen elkaar onderling beconcurreren bij de schaarse subsidiepotten.

Ze heeft zich daarbij curieus genoeg ook gesterkt gevoeld door het Thorbecke-adagium, ‘dat de overheid geen oordelaar over kunst’ zou mogen zijn. Die uitspraak van de politicus uit de negentiende eeuw was de tweede helft van de vorige eeuw gemeengoed. Maar dat de ideeën van Thorbecke door de kunstensector als ideaal werden aangehouden, is naïef, vooral omdat zijn ideeën ten opzichte van de kunsten eerder nihilistisch dan betrokken waren. Thorbecke wilde er vooral mee duiden dat de overheid zich helemáál niet met de kunsten moest bemoeien.

De overheid ging vanaf eind vorige eeuw het cultuurbeleid steeds meer tot een systeem maken, met kunstenplan, fondsen-op-afstand, regulering en later met een basisinfrastructuur. De politiek kwam steeds meer op afstand en de maatschappelijke betrokkenheid (het ‘eigenaarschap’) van de Nederlandse samenleving bij de kunsten werd er ook al niet mee bevorderd. De huidig cultuurminister Bussemaker is vrij duidelijk hoe ze daar in staat: „De kunstwereld is te lang in zichzelf gekeerd geweest. Thorbecke’s adagium dat kunst geen regeringsbeleid is, heeft daarmee tot een zekere vrijblijvendheid en onverschilligheid geleid. Met die situatie wil ik breken.”

3 De elite roert zich niet Meestal vormt de elite in de hoger ontwikkelde landen de basis voor de legitimatie van de kunsten en het kunstbeleid. Nederland kende geen burgerij (‘bourgeoisie’), zoals die in België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland bestaan. We hebben hier nooit een hofcultuur en eigenlijk ook geen echte burgerlijke elite gehad. En, voor zover deze er toch was, raakte die elite na de ontzuiling en vernieuwingen in de jaren zestig en zeventig ontredderd en de weg kwijt.

Als er een zwakke elite is, heeft de kunst er geen steun van. De kunstensector werd dan ook totaal overvallen door de snelle wisseling in het politieke denken bij het aantreden van Rutte I en de bezuinigingen op kunst en cultuur. Steun van de elite bleef goeddeels uit, sterker nog, onze ‘vrienden’ gingen veelal mee in het maken van denigrerende opmerkingen over kunst en subsidies. Toch wekt het eigenlijk weinig verwondering dat als politiek en elite weinig verbondenheid hebben met de kunsten, zij ook gemakkelijk hun handen ervan af kunnen trekken, als dat zo uitkomt.

4 Moeizame verhouding Er is een moeizame en curieuze verhouding tussen kunst en kunstbeleid. Kunstenaars zijn nog steeds kunstenaars, met hun hoogst individuele emoties en expressies, wars van overheidsbeleid. Terwijl een overheid kunst ziet als onderdeel van overheidsbeleid, als middel tot of instrument van de publieke zaak. Zie daar in een paar woorden het grote dilemma van cultuurbeleid: hoe formuleer je overheidsbeleid voor een groep professionals (kunstenmakers dus) die zich bij uitstek niet leent of laat inzetten voor welk beleid dan ook.

De overheid wil gericht met de subsidies omgaan, moet zich voor de besteding kunnen legitimeren, voert beleid, zoekt raakvlakken met andere beleidsterreinen, etc. Kunstenaars willen niet ingepast worden in ‘multiculti’, sociaal of welzijnsbeleid, kunstenaars denken niet in de eerste plaats aan hun ‘nut’ voor de publieke zaak en ik ken ook al geen kunstenaar die verbetering van het vestigingsklimaat of toerisme in een stad als zijn doelstelling hanteert. Ter illustratie een hartenkreet van kunstcriticus Anna Tilroe: „Politici zijn er altijd op uit kunst instrumenteel te maken. Dat wil zeggen kunst in te zetten voor politieke doeleinden. Houd u daar toch eens mee op! Uw doeleinden zijn veel te opportunistisch voor de kunst. Kijk hoe snel uw windvaan tegenwoordig draait! Laat kunst de aspecten van de werkelijkheid op haar eigen manier onderzoeken, onafhankelijk, vrij, zelfs als ze wordt gesubsidieerd.”

De overheid vindt dat op haar beurt weer ondankbare ijdeltuiterij en bedacht de afgelopen tien jaar een plansystematiek met een vastgelegde basisinfrastructuur (de BIS) ‘resultaatafspraken’ en ‘formats’ om de sector toch in het stramien van het vigerende kunstbeleid te krijgen. En ik voorzie dat de overheid, bij gebrek aan keuzes en inhoudelijke input vanuit de sector zelf, voortgaat met het technocratiseren van het cultuurbeleid.

De kunstensector doet met tegenzin, doch met verve, aan deze technocratisering mee en reageert met steeds nietszeggender beleidsplannen, tegenwoordig ondernemingsplan geheten, opgesteld door kunstmanagers, tegenwoordig cultureel ondernemers geheten. Dat leidt niet tot een dynamisch kunstbeleid, want kunstenaars en de kunsten zijn niet te plannen en niet te regelen in een structuur.

5 Psyche van de sector Kunstenaars zijn weliswaar open, nieuwsgierig, slim, gedreven, maar aan de andere kant ook individueel georiënteerd, kwetsbaar, maatschappelijk schuw. Men voelt zich snel aangevallen, onbegrepen en ondergewaardeerd. Regisseur Johan Simons noemde kunstenaars zelfs „een bedreigde diersoort”. Men reageert sterk emotioneel, en met argumenten die maatschappelijk niet overtuigend zijn. Er heerst een grenzeloos vooruitgangsdenken en optimisme, dat ongetwijfeld ook met de aard van de kunsten en kunstenaars te maken heeft. De kunst kijkt vooruit, is progressief en niet behoudend. De kunst zoekt publiek, die combinatie is uiteindelijk raison d’etre van kunst.

Het is daarom in onze sector not done om met negatief nieuws te komen over overproductie of afnemende belangstelling. Dat doorkruist de droom. Negatieve ontwikkelingen worden genegeerd en de kop verdwijnt liever in het zand. Toen ik in mijn omstreden artikel sprak over overproductie, werd dit in verschillende reacties meteen ontkend en omgedraaid: er zou geen sprake zijn van overproductie maar van onderafname of onderconsumptie. En meestal krijgt dan ook nog iemand anders daar de schuld van, in dit geval ‘de bezuinigingen’. Terwijl de afnemende belangstelling voor delen van de gesubsidieerde kunsten toch echt van eerder datum is dan de bezuinigingen van Rutte I.

6 De kunstdebat geboden Debatteren over kunst en beleid lijkt in Nederland alleen maar volgens bepaalde en geboden en conventies te mogen. Wee degene, zoals ik, die zich daar niet aan houdt.

Het eerste gebod is dat je iedere discussie over kunstbeleid begint met eerst je liefde voor kunst te verklaren. Zo ware ik beter mijn gewraakte passage over de internationale positie van klassiek ballet begonnen met te vertellen dat ik al vanaf mijn 9de levensjaar Het Nationale Ballet bezoek, dat ik ooit nog met mijn ouders bij de première van het Zwanenmeer was en dat ballet me nooit meer heeft losgelaten. Eérst de geloofsbelijdenis, dan de kritische noot: zo hoort het.

Het tweede gebod is dat je gerust kritiek op de overheid en het kunstbeleid mag hebben, maar geen kritiek op de kunst en kunstenaars. Dat verklaart waarom de reacties op mijn tweede stuk zo veel heftiger waren dan op mijn eerste stuk.

Een derde gebod is dat je geacht wordt uit te gaan van vooruitgang en innovatie van de kunst. Ik had het echter over „een fixatie op het nieuwe en het vernieuwende” en pleitte voor vertraging.

Ermee samenhangend is er het vierde gebod dat het berichten over ‘slecht nieuws’ not done is. In mijn artikel sprak ik over een dreigende marginalisering van de gesubsidieerde kunst, afhaken van publiek en over te veel instellingen. Vlek op vlek, zogezegd.

Het vijfde gebod ten slotte is dat we elkaar niet bekritiseren, althans niet publiekelijk. In mijn artikel noemde ik enkele instellingen bij naam en toenaam.

Ondanks de kritiek die mijn deel was na het breken van deze geboden, ben ik niet pessimistisch (laat staan gefrustreerd) over hoe de kunstensector het gesprek inmiddels oppakt. Er waren de afgelopen maanden verschillende bijeenkomsten waar de zaken voor het eerst werden benoemd. Zelfs in de wereld van de klassieke muziek lijkt men te beseffen dat het ernst is en de museumsector pakte de bal al eerder op. Viviënne Ypma, directeur van de Kleine Komedie in Amsterdam, zei bijvoorbeeld over het kunstbeleid: „Culturele instellingen moeten elkaar eerlijk in de ogen kijken. We mogen ons best afvragen wat aan voorzieningen nodig is. Eigenlijk hadden die keuzes al veel eerder gemaakt moeten worden. Er is te voorzichtig gekozen. Er is gedacht: als er maar zo veel mogelijk blijven voortbestaan. Zo hebben we allemaal honger.”

Nieuwe invalshoeken gaven in deze krant gaven onder meer Walter Ligthart (Het Nationale Toneel) en Stan Paardekooper, directeur van het Radio Filharmonisch Orkest. Hij relativeerde: „Wij kunnen zelf niet kiezen. De sector moet en kan op het toppunt van zijn intellectuele kunnen deelnemen aan debat, maar kan uiteindelijk niet pleiten voor zelfmoord of broedermoord van een collega. De overheid en haar adviesorgaan (de Raad voor Cultuur) zijn door de bevolking gemandateerd om goede keuzes te maken, doe dat dan ook.”

De Raad heeft met zijn recentelijk verschenen Cultuurverkenning 2014 gehoor gegeven aan zijn oproep, maar gaat in dit stadium nog niet verder dan het aanduiden van trends. Over antwoorden op die ontwikkelingen, over het toekomstig kunst- en cultuurbeleid, daar moeten we het over hebben. Want er is veel aan de hand en er is reden tot zorg. Daar ga ik graag een volgende keer op door.

    • Melle Daamen