Valse start voor strafonderzoek naar MH17

De chaos op de rampplek zal de opsporing van verdachten beïnvloeden, vreest Hans Wiegel.

Een week nadat ik op 30 juli had geschreven dat het in Oekraïne „moeilijker wordt dan we nu al denken”, moest de regering mededelen dat de zoektocht naar de stoffelijke resten van de omgekomenen bij de vliegramp, is gestopt. Dat kon ook niet anders, gezien de situatie daar.

Premier Rutte zei: „Tegen de nabestaanden van de slachtoffers zeg ik: we stoppen nu. Maar we stoppen niet.” Ook die uitspraak was begrijpelijk. Al kan het heel goed zo zijn dat de hoop later nog iets van de inzittenden van het rampvliegtuig te vinden, een ijdele zal blijken te zijn.

Direct na de ramp verklaarde de regering dat eerst de lichamen van de overledenen en hun bezittingen moesten worden geborgen. Een lijn die door iedereen als de juiste werd beschouwd. Nu is – zoals direct na de ramp ook door de politiek werd gesteld – aan de orde: hoe nu verder?

De vragen dus over – schreef ik eerder – de toedracht van de terroristische aanslag, de inzet van het gebruikte wapentuig en de verantwoordelijkheid voor het gebruik daarvan. De MP zei het zo: „Het recht moet zijn loop hebben.”

De Onderzoeksraad voor Veiligheid maakte een tijdje terug bekend dat al veel informatie is vergaard. Dat was toen positief nieuws. Op 9 augustus schreef de vice-voorzitter van de Raad, mr. Hulsenbek, in een ingezonden brief naar deze krant dat ik, in mijn opiniestuk van 30 juli, de Raad ten onrechte het epitheton „nationaal” had meegegeven. Excuus.

Deze oud-PG onderstreepte ook dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid alleen de oorzaken van het neerstorten van het vliegtuig onderzoekt. Mijn oog viel vooral op zijn uitspraak dat de uitkomsten van dat onderzoek „absoluut niet gebruikt mogen worden in welke procedure dan ook om schuldigen op te sporen en te vervolgen”. Dat moet worden uitgelegd.

De Onderzoeksraad waarschuwde kort geleden dat haar eerste rapport langer op zich laat wachten. Maar als het er komt en gepubliceerd is, dan zullen die instanties, die het strafrechtelijk onderzoek doen, natuurlijk mede afgaan op de feiten, de sporen, die door de Onderzoeksraad zullen zijn gevonden.

Als de Raad er niet in slaagt haar werk met succes af te sluiten, dan wordt de derde opdracht die de regering zich gesteld heeft – die betreffende het strafrechtelijk onderzoek – wel heel moeilijk uitvoerbaar. Zoals strafrechtexpert Knoops het zei: „Dat wordt dan een nachtmerrie.”

Er is dus wel degelijk een verband tussen het onderzoek van de Onderzoeksraad naar de oorzaken van de ramp en dat naar het opsporen en berechten van de schuldigen.

Verheugend was het vorige week te horen dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, mr. Schoof, er veel vertrouwen in heeft dat serieus onderzoek kan worden gedaan.

Dat strafrechtelijk onderzoek is het grootste in zijn soort in onze geschiedenis, werd gezegd. Het is begrijpelijk dat er in en buiten de Tweede Kamer scepsis is over de mogelijke resultaten. Natuurlijk moeten er niet te veel verwachtingen worden gewekt. Maar de inzet is er. Laten we hopen dat het recht zijn loop kan krijgen.