Twee Charlottes in Salomon-opera

Een ‘Singespiel’ – zo noemde de in Auschwitz vermoorde kunstenares Charlotte Salomon haar autobiografische beeldverhaal ‘Leben? Oder Theater?’ De Franse componist Marc-André Dalbavie is de eerste die het aandurft er een opera op te baseren. Mischa Spel

Een veertig meter breed poppenhuis verbeeldt het Berlijnse appartement waarin Charlotte opgroeit in de operaCharlotte Salomon. Foto Salzburger Festspiele/Rutz Walz

In de Felsenreitschule neemt het Salzburger publiek in smoking, avondjurk of galadirndl plaats tussen de stenen nissen die The Sound of Music in herinnering roepen. Maar vanavond zijn de nissen afgedekt. Het decor dat Johannes Schütz met regisseur Luc Bondy ontwikkelde voor de wereldpremière van de opera Charlotte Salomon is een veertig meter breed, panoramisch poppenhuis. Naast elkaar geplaatste salons schetsen een Berlijns appartement anno 1920 – met degelijke antieke meubels naast de concertvleugel van stiefmoeder en het kamertje van Charlotte. Zij groeit hier op, ontdekt haar tekentalent en wordt verliefd op de zangleraar van haar stiefmoeder, die met haar flirt en haar aanmoedigt. Later, in exil voor de nazi’s, ontdekt ze dat niet alleen zes voorouders zelfmoord pleegden, maar ook haar moeder. Maar haar eigen doodsdrang weet ze om te buigen naar schilderdrift. Zo herwint ze, via de kunst en de liefde, het leven op de dood. De tragische afloop is bekend: Charlotte, inmiddels getrouwd en zwanger, wordt in 1943 alsnog naar Auschwitz gedeporteerd en vermoord.

Ein Singespiel – zo noemde kunstenares Charlotte Salomon (1917-1943) zelf haar in circa 800 gouaches vertelde autobiografische beeldverhaal Leben? Oder Theater? (1942). In Nederland zijn de gouaches – aanvankelijk een mix van Chagall en Bonnard maar in toenemende mate eigen – bekend en geliefd. Salomons vader en stiefmoeder schonken ze na de oorlog aan het Joods Historisch Museum en Frans Weisz baseerde er zijn onvergetelijke speelfilm Charlotte (1981) op. Twee jaar geleden voegde hij er een onthutsende documentaire aan toe, die nieuwe duisternis wierp op Salomons verhaal. Uit een brief, eerder achtergehouden, blijkt dat Charlotte in 1943 haar opa, in wie ze een angel van ellende zag, een omelet met slaapmiddel gaf, waarop hij overleed.

Leben? Oder Theater? werd eerder wel bewerkt tot toneelstuk, maar niet tot een opera. Dat het werk dooraderd is met muzikale verwijzingen, maakt het een scheppend kunstenaar ook moeilijk. Een componist die graag begint met een leeg blad, blijft van Leben? Oder Theater? verre.

Maar voor componist Marc-André Dalbavie was die muzikale dimensie juist een pain bénit, een zegen, zegt hij in een van de kantoren van de Festspiele. „Voor mij móét het onderwerp voor een opera iets met muziek te maken hebben; mijn vorige opera ging over componist Gesualdo. Alleen dan kan ik die enorm gekunstelde vorm met zingende personages verantwoorden. In de 19de eeuw was opera het vehikel voor grote gevoelens. Maar die functie heeft film overgenomen. Maak je nu nog een opera, dan moet de vorm wel echt iets toevoegen.”

Charlotte Salomon was een opdrachtwerk van de Festspiele. Dalbavie begon drie jaar geleden, ruim op tijd. Maar het eerste libretto beviel hem niet. Afgelopen herfst begon schrijfster Barbara Honigmann aan een tweede, gewijzigde opzet.

„Dat was een risico”, erkent Dalbavie. „Het totstandkomingsproces was extreem stressvol. Nog tijdens de repetities heb ik dingen veranderd. De epiloog ook, omdat we relatief laat hoorden over de dood van de opa na de omelet met slaapmiddel. Die ontdekking sterkte me in mijn visie op wie Charlotte was en wat haar dreef. Zij wilde leven en bleef overeind door haar liefde voor Daberlohn (in het echt zangpedogoog Alfred Wolfsohn). Anders dan haar zeer negatieve opa geloofde die in haar, en in het feit dat ze ooit iets groots tot stand zou brengen. Dat wilde ze waarmaken. We eindigen nu met een tekst waarop Charlottes dood in Auschwitz wordt gemeld, maar voor mij had dat niet gehoeven. Leben? oder Theater? gaat niet over de Holocaust, maar over de kracht van liefde en de mogelijkheid jezelf door de kunst opnieuw uit te vinden.”

In de pers werd Dalbavies opera gemengd ontvangen. Mooi, maar niet helemaal gelukt, vond The New York Times. Weinig ‘eigen’, door een teveel aan muzikale citaten, vonden Frankfurter Allgemeine en Berliner Tagesspiegel.

Gedurende de pauzeloze, krap tweeënhalf uur durende voorstelling („bij zo’n verhaal denken aan champagne drinkend pauzepubliek vond ik afstotelijk”, zegt Dalbavie) voel je inderdaad aan alles de worsteling van het scheppingsproces.

De sterkste troef van het nieuwe libretto is de splitsing van Charlotte in twee personae: in de in het Duits vertellende, ‘echte’ Charlotte Salomon (actrice Johanna Wokalek ) en de in het Frans zingende, fictieve Charlotte Kann (prachtig zingende Marianne Crebassa). Spraak en zang zijn door Dalbavie zo organisch vervlochten, dat ook de versmelting van beiden aan het slot – waar Charlotte zichzelf ‘vindt’ – volstrekt logisch aandoet. Problematischer is de veelvoud aan citaten en de heterogeniteit van de partituur, die heftige klankerupties laat opwellen bij alle verwijzingen naar liefde, maar verder dramatisch op afstand blijft. Dalbavies eigen muziek is kleurrijk en dreigend complement van de beelden die hem inspireerden, maar ontbeert eigen karakter. Gevolg is dat het publiek na afloop Schubert neuriet, en geciteerd een Jiddisch volksliedje. Geen Dalbavie.

    • Mischa Spel