Speelde Yannick maar vaker in Rotterdam

Was hij er maar vaker, denken ze bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Want hun booming chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin is er dit seizoen maar zes weken, omdat zijn aandacht óók uitgaat naar zijn andere orkest in Philadelphia, internationale gastdirecties en het alert zijn op het immer loerend tevéél aan engagementen en druk.

Maar als hij er is, dan is de kans op memorabele concerten groot. Yannick is een muzikaal alleseter en een sociaal verbinder, die ook in Mahlers Zesde symfonie woensdag een eigentijds wondertje van klanksmeedkunst, balans en opbouw wist te realiseren.

De serie Robeco Zomerconcerten piekt eind augustus altijd met een voorproefje van het nieuwe seizoen. Voordat het Rotterdams Philharmonisch en het Concertgebouworkest met hun chefs op de traditionele Europese nazomertournees gaan langs de smaakmakende festivals – Edinburgh International Festival, Salzburger Festspiele, Luzern, Grafenegg – spelen ze die programma’s warm in de Grote Zaal.

Mahlers Zesde is in duisternis, omvang en opzet weliswaar atypisch zomeravondrepertoire, maar Nézet-Séguin verleidde de Rotterdamse musici vanaf de eerste omineuze maten tot extreem vurig spel. Hoezeer het bij het orkest rommelt na de vertrouwensbreuk met directeur Hans Waege was even vergeten. Eerder leek het alsof de musici hun internationale statuur zo scherp mogelijk wilden etaleren.

De Mahler van Yannick bleek niet uit albast, bevende zenuwen en heftige tragiek gebeeldhouwd. Integendeel: zijn Mahler heeft iets fris, eigentijds, en minder bonkigs dan doorgaans. Het Scherzo klonk maximaal grillig, met veel sportief scherp geschakelde tempowisselingen. Fraai was daarna de idylle van het Andante en letterlijk schokkend de dreunende noodlotsklappen in het slotdeel. De musici speelden fel, scherp, maximaal betrokken.

Je gunt ze in Rotterdam inderdaad méér Yannick – al zal dat een Mahleriaans verlangen naar een vervlogen tijd blijven.

Ook voor het Concertgebouworkest, gisteravond en maandag in de zomerconcerten, zijn de concerten onder chef Mariss Jansons dit seizoen ongewenst exclusief. Het is Jansons’ laatste seizoen als chef en de zoektocht naar zijn opvolger is in volle gang.

Een droomkandidaat is moeilijk voorstelbaar (of het moet de onbenoembare Yannick zijn), maar de benoeming van Jansons’ internationaal gewilde leerling Andris Nelsons lijkt weer een stapje waarschijnlijker nu deze pas bekend heeft gemaakt geen chef te willen worden in Berlijn. Het afscheid van Jansons zal het orkest hoe dan ook zwaar vallen. Zijn vitaliteit leek na het zomerreces in beste doen denkbaar – er was zelfs een moment dat hij in het vuur van Sjostakovitsj’ opruiende Eerste symfonie met beide voeten loskwam van de bok.

Die Eerste wordt relatief weinig gespeeld (door dit orkest al 13 jaar niet), maar Jansons en het in prachtige houtblazerssoli excellerende orkest lieten met extreme stemmingswisselingen, jazzy kwinkslagen en dreunende koperfanfares horen dat Sjostakovitsj’ karakter als symfonicus in 1924 verder ontwikkeld was dan je zou verwachten.

Pianist Jean-Yves Thibaudet toonde zich aansluitend van zijn meest vrije en daardoor dichterlijke kant in Ravels Pianoconcert in G – een werk dat de Fransman zeer frequent uitvoerde (ook met het KCO) en dat daardoor tot ultieme bloei kwam, zoals ook de als toegift gespeelde Pavane pour une infante défunte: ontdaan van pathetiek en daardoor des te meer magnetiserend.

    • Mischa Spel