In slecht zittend suppoostenuniform doet glorieuze Anna Netrebko Callas vergeten

Opera is museumkunst, Alvis Hermanis een eigentijds regisseur. Eén en één leidt tot een wat vlakke, wel fraai ogende enscenering van Verdi’s Il Trovatore in een museum, met Leonora en graaf Luna als suppoosten. Dáár komt na sluitingstijd het verhaal als tweede droomrealiteit tot leven. De enige die alleen bestaat in de droomwereld is de troubadour Manrico, die als door zigeunermoeder opgevoede edelman toch al wandelende fictie is.

Geheel overtuigend is Hermanis’ concept niet, daarvoor is een koor van toeristen die zich omkleden als zigeuners te lachwekkend.

Maar Daniele Gatti compenseert dat met de Wiener in een uitvoering vol vuur en italianità (linie van pompende bassen in Di quella pira). Plácido Domingo (Luna) is ook als bariton niet in oervorm, maar zijn fitheid en acteervermogen roeren op ander niveau. Echt onvergetelijk is Anna Netrebko als Leonora. Haar hoogte parelt, haar laagte gloeit dramatisch zonder aan helderheid in te boeten. Haar weergave van D’amor sull’ali rosee is een triomf: een natuurfenomeen dat monden doet openzakken.