Helios en zijn runderen? Hells Angels en hun Harleys!

Joyce Roodnat

Over: Così fan tutte; Odyssee & ASKO; Odiezee; L’homme qu’on aimait trop.

Mooi zo. Het Grachtenfestival komt weer met een operaregie van Lotte de Beer. Vorig jaar leerde ze Puccini’s La Bohème mores, als de geschiedenis van een stel geborneerde jongelui. Dit jaar pakt het festival uit met haar visie op Mozarts Così fan tutte. Prachtige muziek, als ik ’m beluister ruist mijn bloed. Maar wat een stinkverhaal. ‘Zo doen alle vrouwen’, dat betekent de titel. Bedoeling: Zo zijn de vrouwtjes. Ahem.

Lotte de Beer weet raad. Ze doet recht aan Mozart, het lijkt of ze elk kringeltje in de muziek een plaats geeft in wat de personages denken en doen. En intussen ontmaskert ze wát die denken en doen. Ze geloven in de liefde, maar alleen de vrouwen zijn oprecht. De mannen doen alsof – die kiezen voor de achterdocht. Verkrachting zelfs. Het is makkelijker een vrouw te vernederen dan haar lief te hebben. Het is makkelijker geen clown te zijn, dan wel – want dit alles gebeurt met rode neuzen, schmink en flapschoenen. Nee, dat is niet flauw, het is triest.

Lotte de Beer interpreteert Mozarts opera onbevreesd en eigenwijs. Dat moet ze, waarom zou ze het publiek anders lastig vallen? Precies dat vraag ik me af, terwijl ik me door De Odyssee worstel, een groot opgezette dansvoorstelling. Zolang ik niet kijk, is alles kits. Het ASKO/Schönberg-ensemble is in zijn element met de muziek van de jonge componist Maxim Shalygin. Hij componeerde raadselachtig en ferm. Nooit letterlijk, op wat knorretjes uit de trombone na, voor de varkens bij de cycloop. Geeft niet. Is grappig.

Maar de choreografie, van Lonneke van Leth, is wel letterlijk, op de pantomime af. Odysseus’ belevenissen worden geïllustreerd met een ratjetoe aan dansgenres. Lyrisch. Traditioneel. Jazzy. En ineens: Afrikaans, op platte voeten, torso’s star als schilden.

Nog geen 24 uur geleden zag ik óók iemand ineens Afrikaans dansen, in de film L’homme qu’on aimait trop. Ik ging er naartoe voor Catherine Deneuve, maar ik viel voor Adèle Haenel, haar 25-jarige tegenspeelster. Die danst, tussen de bank en de stoelen, eventjes Afrikaans. De wilde kleine scène suggereert het levensverdriet van haar personage. Prachtig. Maar in De Odyssee is de Afrikaanse dans uitbundig zonder betekenis. En dat kan niet.

Wie een meesterwerk als Homerus’ Odyssee inlijft, kan niet anders dan bedenken waarom dat al eeuwenlang aanspreekt. Die zal zich, als Odysseus zelf, moeten begeven op de zeeën van de fantasie om de relevantie van de stormen te snappen.

Voor mij is de Odyssee het verhaal van een held die, met al zijn duizend listen, geen weerstand heeft tegen verleiding. Vrouwen, seks, macht, bezit, de magie van leven, dood en toverkunst – hij wil het hebben. Of nee, denk ik, het is anders. De Odyssee gaat over het overschreeuwen van eenzaamheid. En morgen denk ik wéér anders. Dat is wat een kunstwerk doet. Het opent de geest, het bespeelt het gevoel. Het verwart en verheldert, allebei tegelijk.

Op Walcheren zie ik een knallende versie van de Odyssee: Odiezee, de rockopera van Huub van der Lubbe en Robert Jan Stips, maar vooral: geschreven en geregisseerd door Tom de Ket. In 2011 flikte De Ket iets soortgelijks in Gieten, met De Drentse Bluesopera op basis van de songs van Cuby and the Blizzards. Hier leidt hij de Odyssee binnen in de verraderlijke Zeeuwse schorren en slikken, in dorpen vol drank en de verveling van jonge mannen. De cycloop is een maffiose smokkelaar met een grot vol drugs. Helios en zijn runderen zijn de Hells Angels en hun Harleys. De ziener Tiresias is een hyperactief meisje, gevangen in het wereldwijdeweb. En de held? Verblind door bindingsangst verlaat hij zijn vriendin Penelope en hun baby Theo voor een vrijgezellennacht met zijn vrienden. Hij moet leren hoe een mens zijn oog kan wenden van het duister van de Hades naar de zon op de zee.