De engel die schippers onder zijn vleugels neemt

Een sierlijke kilometervreter of een luchtrat? De meeuw zorgt voor controverse. In oude scheepsjournaals worden meeuwen met liefde en en passie beschreven. De VVD wil ze bestrijden.

Foto ANP

Meeuwen zijn aankondigers van lang verwachte eilanden of kusten, van zoet water en vruchten. Zeezeilers of schippers kijken verheugd op als er aan de horizon stippen verschijnen, stralend wit tegen een blauwe of grijze hemel. Wekenlang niets dan zee of oceaan gezien, en daar zijn de eerste meeuwen. De haven kan niet ver zijn. In oude scheepsjournaals krijgen meeuwen poëtische vergelijkingen, alsof het engelen zijn die de schipper onder hun vleugels nemen.

Nu keert het tij zich tegen de meeuw. Luchtratten heten ze opeens. Hun roep is indringend, lelijk krijsen. Ze mogen geen beschermde diersoort meer zijn. Zo wordt aangestuurd op de mogelijkheid om de vogels daadkrachtig te bestrijden, zelfs af te schieten.

Hebben de meeuwenhaters deze vogels weleens goed bestudeerd. Bekeken zij hun ongeëvenaarde vliegkunst? Hun sociaal gedrag? Zodra een meeuw een stuk brood ontdekt, uit hij zijn ontdekking met een juichkreet. Alle meeuwen tot in de wijde omtrek weten nu waar voedsel is te vinden. En sinds de Nederlandse burger alle lekkernijen eenvoudigweg op straat gooit, roepen deze alleseters elkaar verheugd toe dat het aanbod opnieuw genereus is.

De meeuw verdient geen afschot, integendeel. Kijk eens op naar een loodgrijze herfstlucht met krijtwitte meeuwen die over de daken en langs de torens zwenken. Zie ze laag over de stadsgrachten scheren. Een stad zonder meeuwen ontbeert „de lijnen naar het uitspansel”. Zij wijzen dat voor je aan, kijk, daar is de hoge lucht, ginds het diepe blauw. Volg een meeuw met je ogen en hij laat zien waar de verte is.

Wat is er in Nederland gebeurd, die laatste decennia met de meeuwen? En over welke meeuwen gaat het? Er zijn vele soorten die tot de meeuwenfamilie behoren. De bescheiden stormmeeuw, de sierlijke drieteenmeeuw, de kokmeeuw met zijn zwarte kop, de kleine en grote mantelmeeuw. Maar als het om de stadsmeeuw gaat, betreft het een van de grootste soorten: de zilvermeeuw (Larus argentatus, in de volksmond: de zeemeeuw). In etymologisch opzicht gaat de naam meeuw terug op het Oud-Noords maer dat ‘slank’ betekent. Dat klopt mooi met het vliegbeeld: krachtig, rank, pure stroomlijning. Geen mens kan zo mooi vliegen als de meeuw. Dat zouden ze misschien willen, en omdat ze het niet kunnen, moet de meeuw eraan geloven.

In veel vogelboeken staat de blik van de meeuw omschreven als ‘wreed’. Dat is projectie van onze eigen gevoelens, het lijkt alleen maar of hij boos kijkt met dat diepliggende oog. Het verenkleed is, zoals de naam zegt, zilverstralend wit. Aan de onderzijde van de snavel prijkt een rode vlek. Niemand minder dan Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen deed in 1973 baanbrekend onderzoek naar deze rode vlek, hij ontdekte dat de kuikens naar pikken om voedsel van hun ouders te bedelen. Tinbergen imiteerde een abstracte meeuwensnavel met rode vlek. Ook daar pikten de jongen naar. Hij noemde dit gedrag ‘supernormale stimulus’. Van oorsprong nuttigt de meeuw mosselen, kokkels, krabbetjes en vis. Nu snacken de meeuwen die op Texel broeden bij patatkramen in Amsterdam. Of ze snaaien hamburgers in de straten van Den Haag. De meeuw is misschien wel een van de intelligentste vogels. Met gemak vliegen ze meer dan 300 kilometer per dag. Ze foerageren precies daar waar het meeste voedsel te vinden is. Slim. Ze vliegen er feilloos naartoe van grote afstand. Nog slimmer. Het achteloos weggeworpen vuilnis is de boosdoener, niet de vogels zelf. Tussen het stadsvuil zijn de meeuwen parels van zilverwit.

Ruim een eeuw geleden schreef bioloog Jac. P. Thijsse in Het vogeljaar (1903) lyrisch over meeuwen. Hij noemt de meeuw een „bewegingskunstenaar” en vervolgt: „Hier is ook weer een kracht en veelzijdigheid, die aan het ongelofelijke grenzen. Soms schieten de witte vogels door de lucht met een snelheid, die doet denken aan zwaluwen of aan valken, dan weer staan ze als het ware stil in de lucht, of wat nog moeilijker schijnt, ze vliegen stapvoets – hoe moet je dat eigenlijk zeggen? – langs het watervlak in een rechte lijn en zonder merkbare rijzing of daling.”

Thijsse memoreert dat hij uren naar „de meeuwtjes” kan kijken en „dat verveelt mij nooit, al word ik ook honderd jaar”. Dat is de spirit: kijken naar de schoonheid van de vogels, en er nooit aan denken, geen seconde, om ze te willen verdelgen. Interessant is te lezen hoe Thijsse observeert dat meeuwen „boven het vuile stadswater naar voedsel zoeken”, en van overlast geen spoor.

Meeuwen nemen onherroepelijk wraak, ze laten zich niet verjagen, daar heeft Hitchcock voor gewaarschuwd met zijn meesterwerk The Birds (1963). Daar vallen behalve kraaien ook de zilvermeeuwen aan. De film is een ode aan de geniale vliegkunst van deze vogels, kijk eens hoe ze zwenken, duiken, buitelen, stilstaan, een looping maken, een vrije val, alles moeiteloos en trefzeker.

De Russische toneelschrijver Anton Tsjechov noemde een van zijn mooiste stukken De meeuw (1896), met de vogel als symbool voor vrijheid en poëzie. De Nederlandse dichter Jan Emmens betoonde in 1957 eer aan de meeuwen in de volgende onsterfelijke regels: „Voor de kade wisselt een wolk meeuwen / als strooibiljetten op een sterke wind / van aanblik als ’t verloop van eeuwen. / Het is windstil. De wind is een klein kind / dat met geluidjes brood staat uit te strooien.”

Maar als er geen meeuwen meer in straatbeeld of stadsgracht zouden zijn, als ze allemaal zijn gedood, dan zou er ook geen kind meer zijn dat brood naar de meeuwen gooit.

Ga naar de zeekust, de duinen, de branding: bewonder hun even krachtige als ranke bewegingskunst en bedenk dat zij tot de mooiste vogels behoren, zeilend tegen de Hollandse luchten.

    • Evy van der Sanden
    • Kester Freriks
    • Hans Steketee