Rechter perkt privacy burger in

Het dagelijkse doen en laten van de burger gaat de overheid niets aan, zo argumenteerde vorig jaar nog de rechtbank Den Bosch in een kort geding. „Wie niets te verbergen heeft, heeft niets te vrezen” is niet het uitgangspunt in de verhouding overheid-burger, aldus de rechtbank. Die daarmee een eis van de fiscus om routinematig alle kentekens van de klanten van een internetparkeerbedrijf in te mogen inzien, scherp afwees.

Helaas heeft dit glasheldere oordeel geen stand mogen houden. Het gerechtshof in dezelfde plaats koos gisteren de kant van de fiscus in een oordeel dat niet anders dan als een slag in het gezicht van de burger kan worden beoordeeld. Het belang van de fiscus om de ritadministratie van leaserijders, het illegaal gebruik van auto’s met geschorste kentekens of auto’s die deel uitmaken van de bedrijfsvoorraden van dealers te mogen controleren, is groter dan de privacy van de burger die anoniem wil kunnen parkeren. De fiscus mag dus van de hogere rechter een sleepnet halen door zulke kolossale bedrijfsadministraties om er belastbare feiten uit te filteren.

Is dat iets om je over op te winden? Ja, dat is het. Dit is nogal een stap, in een online-wereld waarin het dagelijkse doen en laten van de burger in steeds meer databases terecht komt. Nu gaat het nog om het invoeren van een kenteken om betaald te mogen parkeren. Dat is niet verplicht en niet iedereen heeft een (lease)auto. Maar parkeren wordt daarmee toch een soort aangifte doen – vanaf nu dus een makkelijk fiscaal controlemomentje voor de staat.

Dat biedt perspectief voor nieuwe controles. De moderne online burger veroorzaakt immers een ‘datawolk’; van pinbetalingen, smartphone locaties, zoekopdrachten, websurfgedrag. Om dan het evenwicht te houden tussen op zichzelf legitieme fiscale controles en het recht om ongezien te doen en laten wat men wil, vraagt gevoel voor verhoudingen. Het Hof Den Bosch schoot daarin tekort. Hoewel daarover getwist kan worden, staat de Wet bescherming persoonsgegevens een zó ruim opvraagrecht niet toe. Een kenteken is hoe dan ook tot een persoon te herleiden. De WBP stelt als norm dat dergelijke gegevens alleen mogen worden verwerkt als ze „gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn”. Moet de staat nu écht een sluitende controle van alle betaald parkerende auto’s in Nederland via de achterdeur van de digitale parkeersystemen worden toegestaan? Over welke misstand hebben we het hier eigenlijk? Als deze aanpak niet bovenmatig is, welke dan wel? Het hof oordeelde dat deze methode proportioneel is – laten we het erop houden dat het voor voortschrijdend inzicht nooit te laat is.