Onthullingen over spionage zijn genant voor Duitsland

Het is welhaast onvermijdelijk om dat gezegde over de pot en de ketel aan te halen, nu Duitsland in korte tijd ervan is beschuldigd Turkije te bespioneren en de telefoons te hebben afgeluisterd van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry en zijn voorganger Hillary Clinton. Zet dat af tegen de eerdere, diepe verontwaardiging bij de Duitsers over Amerikaanse spionageactiviteiten in hun land en daar is het spreekwoord dat de Duitsers zelf hebben: der Topf lacht über den Kessel und doch sind beide schwarz.

Eerst waren er de onthullingen over de elektronische spionage in Duitsland door de Amerikaanse dienst NSA, over een Duitse dubbelspion die voor de CIA bleek te werken, over het afluisteren van de mobiele telefoon door de Amerikanen van bondskanselier Angela Merkel. Zoiets horen bevriende naties niet te doen, verzuchtte zij. Maar er bleek dus ook een afluisterlijn in omgekeerde richting te bestaan. Clintons en Kerry’s woorden werden zo „toevallig” bij de Duitse Bundesnachrichtendienst (BND) geregistreerd.

Daar kwam vervolgens het bericht bij dat de BND sinds 2009 in het geheim inlichtingen inwint in Turkije. Bondskanselier Merkel doet er nu het zwijgen toe. Zo niet de Turkse regering in Ankara: die eiste van de Duitse ambassadeur uitleg over deze „onaanvaardbare en onvergeeflijke” activiteiten.

Nu is Turkije niet zo’n dikke vriend van Duitsland. Het is weliswaar een, strategisch belangrijke, NAVO-bondgenoot, en Duitsland is Turkijes belangrijkste handelspartner. Maar bijvoorbeeld Merkels CDU moet er niet aan denken dat dit grote, overwegend islamitische land nog eens lid van de Europese Unie zou worden.

Hier geldt wat in het algemeen van toepassing is: vriendschap tussen staten bestaat vooral zolang zij functioneel is. De interesse van de Duitsers in de Turkse roerselen is ook te verklaren door het permanente verblijf van drie miljoen Turken – onder wie vele Koerden – in hun land en door de vrees voor aanslagen.

De spionage is dus wellicht verklaarbaar, maar het probleem is wel dat degelijke parlementaire controle erop ontbreekt. Dat bleek gisteren in deze krant uit de woorden van de parlementariër Ströbele. Hij is al jaren lid is van de commissie die toezicht houdt op de BND, maar heeft er geen vertrouwen in dat de regering hem echt informeert. De Duitse rechtsgeleerde Heribert Prantl wees er vandaag in de Süddeutsche Zeitung op dat parlementariërs nauwelijks tijd steken in echte controle, die daardoor feitelijk ontbreekt. Dat maakt de BND tot een „ondemocratische geheime dienst”.

Noch de Bondsdag, noch de Duitse regering, noch haar bondgenoten zouden daarmee genoegen moeten nemen.