Mexicaanse jungle geeft Mayasteden prijs

Op het schiereiland Yucatán zijn twee Mayasteden gevonden. De jungle verbergt nog veel meer.

Ruines van de herontdekte stad Lagunita, de ‘Kleine Lagune’.

Voor de derde keer in een jaar tijd heeft het regenwoud van het Mexicaanse schiereiland Yucatán geheimen prijsgegeven. Een team onder leiding van de Sloveense archeoloog Ivan Sprajc vond in het binnenland van de deelstaat Campeche twee Mayasteden die al eeuwen aan het oog waren onttrokken door dichte jungle.

In augustus vorig jaar legde diezelfde Sprajc niet ver daarvandaan de Mayastad Chactún (Rode Rots) bloot. En een maand eerder stuitte zijn Italiaanse collega Francisco Estrada-Belli tijdens opgravingen in de overwoekerde Mayastad Holmul op een gigantisch fries met gave reliëfs in stucwerk. De vondsten volgen elkaar snel op, maar er gaat nog veel versteende geschiedenis schuil onder de tropische begroeiing van Yucatán.

Wie uit de lucht het dicht geboomte overziet waarmee het schiereiland is overdekt kan zich niet voorstellen dat dit in de eerste acht eeuwen van onze jaartelling een cultuurlandschap was. Er lagen tientallen steden, met tempelpiramides, paleizen en marktpleinen, en honderden gehuchten. Op de hellingen waren terrassen aangelegd om erosie te voorkomen en kunstmatige bassins hielden regenwater vast. Boerenhuizen hadden ommuurde boomgaarden en in bufferzones tussen steden lag beheerd bos, met vooral economisch nuttige bomen.

Zo zag het hartland van de Mayacultuur, nu het grensgebied van Mexico, Guatemala en Belize, er uit in wat mayanisten de Klassieke Periode noemen. Die begon rond 250, toen vorstelijke dynastieën op het toneel verschenen. In de Klassieke Periode was het heuvelland van Yucatán georganiseerd in netwerken van stadstaten onder leiding van koningen en een kleine aristocratische elite.

Deze zomer vond Ivan Spracj tussen het geboomte een imposante gevel met een poort in de vorm van een monster met opengesperde muil. Hij herkende dit gebeeldhouwde tempelfront van een schets die in de jaren zeventig was gemaakt door de Amerikaanse archeoloog Eric von Euw. Maar Von Euw had de stad, die hij Lagunita (Kleine Lagune) had gedoopt, nooit goed in kaart gebracht.

Het tempelfront met monsterbek bleek een van de best bewaarde in zijn soort. Hij verbeeldt een Mayagodheid die wordt geassocieerd met vruchtbaarheid. De poort gaf toegang tot een grotachtige ruimte, die werd gebruikt om regenwater op te slaan. Spracj vond in Lagunita ook paleisruïnes, gegroepeerd rond vier pleinen, een veld voor rituele balspelen, een tempelpiramide van 20 meter hoog, tien staande stenen met reliëfs (stelae) en drie altaren met inscripties in het beeldschrift van de Maya.

Volgens de Mexicaan Octavio Esparza Olguin, kenner van het Mayaschrift, staat op een van de stelae een datum: 29 november 711. We zijn dan in de Laat-Klassieke periode, anderhalve eeuw voordat de tempelsteden in het binnenland van Yucatán ontvolkt zullen raken, waarschijnlijk door aanhoudende droogte. In het binnenland zijn bijna geen rivieren en de Mayasteden waren aangewezen op regenval en diep grondwater. Toen de regens ophielden, was het gedaan met de steden in het heuvelland.

Niet ver van Lagunita vond Spracj nog een stad, waarvan niemand het bestaan vermoedde. Hij noemde die Tamchen (Yucateeks Maya voor Diepe Bron). De archeologen vonden er namelijk 30 chultun, flesvormige ondergrondse kamers voor opslag van regenwater, die ongewoon diep waren, tot wel 13 meter. Ook hier pleinen omringd door paleizen en tempels.

Er zijn al honderden grote en kleine Mayacentra blootgelegd in Mexicaans Yucatán en het aangrenzende gebied van Belize en Guatemala. Maar archeologen vermoeden dat er nog zeker zoveel verborgen liggen in het bos.

    • Dirk Vlasblom