IS bestrijden? Laat de regio de kastanjes toch uit het vuur halen

IS vormt niet een directe bedreiging voor het Westen, meent Stephan de Vries.

illustratie adam zyglis

Hoe graag Obama het ook wil, hij blijkt maar niet van de oorlog in Irak af te komen. Vorige week stuurden de Amerikanen hulp om de in het nauw gedreven yezidi’s te ontzetten. Ook werden troepen van de Koerdische Peshmerga voorzien van luchtsteun om het oprukkende Islamic State (IS) een halt toe te roepen.

De Amerikaanse aanval bewees weer eens hoe effectief beperkte, maar gerichte luchtaanvallen kunnen zijn bij het stuiten van een vijandige opmars. IS-strijders zijn (voorlopig) een soepele toegang tot de Koerdische hoofdstad Erbil ontzegd. Tegelijkertijd zullen luchtaanvallen alleen niet voldoende zijn om IS in het defensief te dwingen, laat staan uit te schakelen. De Amerikanen erkennen dat ook.

Ondertussen zwelt de roep om steviger militair ingrijpen tegen IS verder aan. Ook in Europa en Nederland. De EU-ministers van Buitenlandse Zaken besloten afgelopen vrijdag de Koerden in Noord-Irak te gaan steunen met wapens. De SGP riep op om ook Nederlandse F-16’s in te zetten. Kortom, de publieke steun voor ingrijpen in Irak is duidelijk aanwezig, tot het idee om grondtroepen te sturen aan toe.

De vraag is of teruggaan en grootschalig militair ingrijpen inderdaad de beste optie is. Het risico opnieuw het moeras dat Irak heet ingesleurd te worden is levensgroot, terwijl de politieke wil om lang te blijven afwezig is. Bovendien kan een duurzame oplossing voor Irak alleen tot stand komen als regionale grootmachten hun gewicht erachter zetten. Tot nu toe zijn landen als Iran, Turkije en Saoedi-Arabië echter eerder veroorzakers van de problemen dan stabiliserende factoren gebleken.

NAVO-lid Turkije faciliteert al geruime tijd rebellen die in Syrië actief zijn door de grens met dat land bewust wagenwijd voor hen open te zetten. Dat is één van de oorzaken geweest van het intensiveren van het gewapende conflict tussen Assad en opstandelingen en daarmee het uitgroeien van IS tot de meest dominante groepering in de Syrische burgeroorlog.

Vanuit Saoedi-Arabië komt een aanzienlijke hoeveelheid financiële steun voor de radicale strijders. Misschien niet door de regering zelf, maar er wordt ook weinig ondernomen om anderen daarvan te weerhouden. Nu IS aan kracht en terrein heeft gewonnen, halen de extremisten hun inkomsten vooral uit de verkoop van olie uit ingenomen olievelden. De constante stroom aan financiële middelen heeft de groepering echter wel ruimte geboden zich in een eerder stadium te ontwikkelen. Daardoor heeft IS nu ook stevig voet aan de grond gekregen in Irak.

Vanuit Iran komt juist steun voor Assad en in Irak voeren de machthebbers in Teheran een destabiliserende verdeel-en-heers politiek. Het is mede aan Iran te wijten dat Al-Maliki zijn destructieve politieke koers zo lang heeft kunnen varen. Enerzijds omdat Iran graag sjiitische geestverwanten aan de macht ziet bij de buren, anderzijds om de historische aartsvijand Irak relatief zwak te houden. In feite is de strijd in Syrië en Irak een ware proxy-oorlog.

Tot nu toe voelen deze aanstichters van het geweld weinig druk om mee te werken aan een duurzame oplossing voor Irak. Zelf profiteren van de situatie is veel belangrijker en als de boel echt uit de hand dreigt te lopen, komen de Amerikanen toch wel opdraven, zo is het idee. Precies daarom moet Obama zijn poot stijf houden en Irak voorlopig op zijn beloop laten. Voorstanders van westers ingrijpen zullen het argument opwerpen dat we landen die debet zijn aan de problematiek niet kunnen vertrouwen bij het oplossen ervan. Het gaat hier echter om pure Realpolitik.

Een verder oprukkende IS is niet in het voordeel van het Westen, maar een directe existentiële bedreiging vormt het – ondanks alle hysterische reacties rondom de groepering – ook (nog) niet. Dat ligt anders voor de landen in de regio. IS heeft al dreigingen geuit tegen Turkije en het Saoedische koningshuis is er als de dood voor dat het de volgende op het lijstje van de radicalen zal zijn. Ook Iran voelt weinig voor een buurland waar de groepering de scepter zwaait en als uitvalsbasis kan gebruiken voor aanslagen op sjiitische doelen in Iran. Vandaar ook dat Teheran al adviseurs en troepen naar Irak heeft gestuurd om te helpen bij de strijd.

Afwachten en niets doen – op humanitaire assistentie na als de situatie daarom vraagt – vergt stalen zenuwen van het Westen en is politiek gezien riskant. Het is echter de enige manier om de landen in de regio te laten inzien dat het buitenlands beleid dat zij voeren uiteindelijk als een boemerang bij hen terug zal komen. Zij zijn het die het vuur hebben opgestookt en uiteindelijk het meeste te verliezen hebben als de situatie nog verder uit de hand loopt. Laat ze ditmaal dan ook zelf de kastanjes uit dat vuur halen.

    • Stephan de Vries