Iconische Puccini-sopraan was geen diva

Licia Albanese (1909-2014)

Een van de grote naoorlogse sopranen, beroemd om sterfscènes en iconisch als Madama Butterfly.

Meer dan duizend voorstellingen zong ze, 48 rollen. De Italiaans-Amerikaanse sopraan Licia Albanese, die vrijdag op 105-jarige leeftijd overleed, was een van de grote stersopranen van de Metropolitan Opera in New York in de naoorlogse jaren.

Albanese werd geboren in het Italiaanse Bari, als een van zeven kinderen. Al jong zong ze veel, vanaf haar twaalfde kreeg ze serieus les, later van de legendarische sopraan Baldassarre-Tedeschi. In 1934 debuteerde ze als invaller in Puccini’s Madama Butterfly, het jaar daarop volgde haar debuut aan La Scala in Milaan, waarop Covent Garden volgde. Ze zong met grote tenoren als Tito Schipa en Beniamino Gigli en werkte met dirigenten Thomas Beecham, Sir John Barbirolli en Arturo Toscanini. Vooral Toscanini bewonderde ze om zijn aandacht voor het primaat van emotie. Wanneer ze zelf later les gaf, legde Albanese daar ook de nadruk. „Niet nadenken”, zei ze dan, „maak desnoods een fout, maar leg je ziel in wat je zingt. Alleen via de woorden bereik je als zanger het paradijs.”

In 1946 brak Albanese internationaal door als Violetta op de opname van La Traviata onder Toscanini – bekend om de snelle tempi die naar verluidt door Verdi zelf waren aanbevolen. Eerder al maakte ze, in 1940, haar debuut in New York, waar de rol van Mimì in La Bohème 90 keer zou zingen en Madama Butterfly 300 keer.

De dramatiek van Albaneses acteren – vooral haar sterfscènes golden als ongeslagen attractie – compenseerde een kleine, fraaie stem met klokjesachtige hoogte, terug te luisteren op talrijke cd’s. En omdat ze haar stem niet forceerde, bleef ze lang actief. Zelfs op haar 100ste verjaardagsfeest – te zien op YouTube – besloot ze haar eigen Happy Birthday-lied moeiteloos met een hoge gis. Maar diva wilde ze niet genoemd worden. „Alleen God schept diva’s.”

    • Mischa Spel