Europa schrikt wakker uit de droom van goedkope vrede

NAVO-landen hebben jarenlang gekort op defensie. Daar lijkt nu een einde aan te komen, vooral door de vele brandhaarden in de wereld.

Wordt het ‘vredesdividend’ van na de Koude Oorlog teruggevorderd? Uitgaven aan Defensie in Europa worden niet langer gekort, en kunnen misschien zelfs weer gaan oplopen. Het kabinet-Rutte vergadert er dezer dagen over met de drie gedoogpartijen, waarvan met name de ChristenUnie én de SGP de wens koesteren de Nederlandse defensie niet verder te verzwakken en als het kan juist wat aan te sterken.

Dat hing, na de recente spanningen rond Rusland, in de lucht: de Britse premier Cameron riep zijn Europese bondgenoten begin deze maand op om de militaire uitgeven op te schroeven. Cameron zit in een comfortabele positie: het Verenigd Koninkrijk spendeerde vorig jaar 2,3 procent van het bruto binnenlands product aan militaire uitgaven. Dat is boven de norm van minimaal 2 procent die de van NAVO haar lidstaten vraagt.

Het overgrote deel van de andere Europese NAVO-leden komt daar niet bij in de buurt. Behalve Frankrijk en Portugal (2,2 procent) en Griekenland (2,4 procent) is er geen West-Europees NAVO-lid dat in 2013 de 2 procent haalde. En dan zijn de bezuinigingen voor dit jaar nog niet ingecalculeerd.

Nederland gaf volgens cijfers van het gezaghebbende Zweedse SIPRI-instituut, dat de wereldwijde militaire bestedingen bijhoudt, vorig jaar 1,4 procent van het bbp uit aan defensie. Dat is proportioneel evenveel als Duitsland. België zit nog maar op 1 procent en Spanje op 0,9 procent. Door definitieverschillen valt het SIPRI-cijfer soms anders uit dan de nationale gegevens. Nederland zit volgens eigen telling al op 1,2 procent van het bbp.

De cijfers onderstrepen de trend van de afgelopen kwart eeuw, sinds de Koude Oorlog na 1989 ten einde kwam: de militaire uitgaven daalden wereldwijd aanvankelijk sterk, maar bereikten in de afgelopen tien jaar weer het niveau van voorheen. Maar daaronder vond een grote verschuiving plaats die nog steeds doorgaat: bezuinigingen in een groot deel van het Westen, terwijl de uitgaven in met name Azië juist stegen – en niet alleen in China maar juist ook in zijn buurlanden.

In Europa kwamen de defensie-uitgaven na de financiële crisis van 2008 in het Westen daarentegen al snel in het vizier toen er pijnlijke bezuinigingsmaatregelen moesten worden genomen. In het door recessies geplaagde continent gingen miljarden van de militaire uitgaven af. Bij alle Europese NAVO-landen die de twee-procentsnorm al niet haalden, werd er sinds 2008 in totaal nog eens omgerekend 11 miljard euro bezuinigd. Dat is ook ongeveer het bedrag dat er weer bij zou moeten om het peil weer op dat van 2008 te krijgen.

Maar stel nu dat het vredesdividend van na 1989 helemaal wegvalt: hoe veel zou er dan bij moeten om de budgetten weer op het niveau van dat laatste Koude-Oorlogsjaar te krijgen? Dat is te becijferen op basis van de gegevens van SIPRI.

Alle NAVO-landen bij elkaar zouden in dat geval 386 miljard, in euro’s van vandaag extra moeten uitgeven. Uitgezonderd de Verenigde Staten, die verreweg de grootste defensiebegroting hebben, gaat het voor de merendeels Europese rest nog steeds om een gezamenlijke rekening van 165 miljard euro. Dat zou een stijging van alle militaire uitgaven betekenen met meer dan de helft ten opzichte van nu, en een inspanning die neerkomt op 0,9 procent van het bbp.

Is dat haalbaar? Macro-economisch staan defensiebestedingen te boek als inefficiënt: hoewel er militaire goederen moeten worden geproduceerd en er extra werkgelegenheid van komt, wegen de uitgaven zwaarder dan de baten. De Amerikaanse econoom Robert Barro vond drie jaar geleden een zogenoemde ‘multiplier’ van tussen 0,4 en 0,7 – afhankelijk van tijd en omstandigheden. Dat betekent dat elke dollar of euro slechts tussen 0,4 en 0,7 dollar of euro aan economische activiteit oplevert. Andere overheidbestedingen zijn vaak veel effectiever om de groei aan te jagen. Militaire uitgaven gaan er vermoedelijk dus ten koste van.

Aan de andere kant: het handhaven van vrede en veiligheid staat voor economen te boek als een ‘publiek goed’ – vergelijkbaar met het milieu of de waterhuishouding. Overheden geven geld uit om hun bevolking van dergelijke publieke goederen te voorzien. Op de wereldkaart zijn daarom de militaire uitgaven uigedrukt als percentage van de overheidsuitgaven om zo de prioriteit daarvan te laten zien.

De werkelijke waarde van een publiek goed als vrede en veiligheid is daarbuiten uiterst lastig uit te drukken in cijfers. Maar dat het vrijwel gratis leek, was misschien ook wel te mooi om waar te zijn.

    • Maarten Schinkel