Een Spoorwijker schijt niet in zijn eigen nest

Hoe ziet het leven in Spoorwijk eruit? En wat is dit voor wijk? Vandaag gastcollege van buurtbewoner Cicero, die de mores van de buurt uitlegt.

Cicero voor zijn huis in de Oltmanstraat, bij de duiven die hij regelmatig voert. Rechts twee woningen in dezelfde straat. Foto’s Peter de Krom

Laat niet over je heenlopen. Verraad nooit iemand aan de politie. „Dan word je er in een week uitgeslagen.”

Maak geen racistische grappen. „Dat doe je maar in Wassenaar.”

Cicero staat op het plein voor zijn huis in Spoorwijk, Den Haag. Stevig gebouwd, flinke mat in zijn nek, armen over elkaar. Hij staat hier vaak te filosoferen, wat heeft hij anders te doen? Hij zal ons vandaag onderrichten in de wetten van deze kleine republiek.

Je moeder is belangrijker dan je vader. „Moeders zullen altijd achter je staan.”

Nood breekt wet. Als de uitkering op is, moeten de kinderen toch eten.

Als je dan steelt, doe het dan van de rijken. Neem de Quote-500 bende die hier vandaan komt, de jongens die met de Quote in de hand kapitale villa’s binnenslopen. Dat vinden buurtbewoners geen enkel probleem, „Robin Hoods, respect”, zeggen ze. Nou ja, Robin Hoods, „zij staken de buit natuurlijk wel onder hun eigen armen”.

Cicero – een naam van het kamp – is opgegroeid in Spoorwijk, hij begrijpt het leven hier. Hij wel.

Want maak de legpuzzel van Nederland. Begin bij de hoekjes, die zijn het makkelijkst. Rechtsboven leg je de brave burger. HBO+, vast contract, wintersport. Betaalt belasting en staat in de kantine van de tennisclub.

Linksboven de jonge creatieveling. Café latte, zzp, iPad. Doet iets met media, wil nog geen kinderen. Leeft vooral voor zichzelf.

Het hoekje rechtsonder: de volksbuurtbewoner. PVV, RTL4. Laagopgeleid en latent xenofoob. Roy Donders, Yorkshireterriërs en Sinterklaas mét Zwarte Piet. En linksonder de allochtoon. Toko, theehuis, uitkering. Spreekt de taal slecht, heeft zijn hele leven eigenlijk al heimwee.

Zo, dat ligt.

Nu leg je de randen, de grove contouren van de Nederlandse samenleving. De opwaarts mobielen, de idealisten. De hedonisten, de conservatieven, de boze buitencategorie. Amsterdamse grachtengordel. Landgraaf. Kanaleneiland, de Bijlmer, het Gooi.

Spoorwijk is een puzzelstukje dat niet past, hoe je het ook draait

Onvermijdelijk kom je puzzelstukjes tegen die niet passen, hoe je ze ook draait: Spoorwijk, Den Haag is er zo één. Een klein stukje Laak met een paar duizend inwoners, weggedrukt tegen Rijswijk, afgesneden van de moederstad door het spoor.

Spoorwijk spreekt zichzelf voortdurend tegen. Een Hollandse volksbuurt, maar geslaagd multicultureel. Arm, maar kieskeurig. Crimineel, maar veilig.

Hier noemen welzijnswerkers de leden van de Quote-bende „goeie jongens” met wie je je dochters graag op pad stuurt. Hier verruil je je brandstofslurpende Tomos nooit voor een fiets, al staat de deurwaarder op de stoep. Hier eet je liever droog brood dan bloemkool van de Voedselbank. Witbrood.

Cicero groeide op in Spoorwijk. Toen hij zeven was, zei zijn moeder: niet uit het raam kijken! Hij deed het toch en zag hoe iemand met een hamer werd doodgeslagen. Toen hij acht was, verduisterde hij voor het eerst kinderpostzegels. Puber Cicero trok waterputten open, gooide eieren naar de politie – „uit de vriezer, die kwamen lekker hard aan” – en stookte het kerstboomvuur onverantwoord hoog op. Op z’n 17de ging zijn vader dood, startsein voor een roekeloos leven. Gokken, drugs, misdaad. Hij was als jongen agressief, „slecht voor de medemens”, al sloeg hij nooit onschuldigen. Nu staat er een lange lijst delicten op z’n naam.

Cicero groet elke voorbijganger, dit zijn straatjes waar je iedereen kent

Hey abi!” Cicero groet elke voorbijganger: de Marokkaan, de Turk, de Surinamer, de Soedanees, de autochtone buurvrouw. „Het is hier net moksi meti.” Hij is al twintig jaar met z’n vrouw, een Hindoestaanse met wie hij drie kinderen kreeg. Hij vond een baan in de gehandicaptenzorg.

Heel soms overweegt hij de wijk uit te trekken, voor zijn familie. Maar hij twijfelt. Zomers barbecuet hij met zijn vrienden in het park. Halal, en zonder drank, want hij heeft bij zijn vader wel gezien wat dat aanricht.

Spoorwijk scoort notoir hoog op alle risico-indicatoren. Niet dat de buurt was bedacht als multiculturele probleemwijk. In de jaren 60 was het nog een nette wijk in Berlagestijl. Er woonden gezinnen, advocaten, ambtenaren in bescheiden eengezinswoningen. Wilde je er komen wonen, dan kwam iemand een vinger over je meubels halen om te kijken of er stof op zat.

Nu is Spoorwijk, grotendeels in handen van woningcorporatie Vestia, het verdomhoekje van Den Haag. Het is een ‘instapbuurt’ voor immigranten die in het westen hun leven opnieuw beginnen. Hier staat de winkelstraat zes uur ’s ochtends vol Polen, wachtend op busjes naar de kassen. Etalages van de Poolse supermarkten staan vol bier, halve liters waarvan de inhoud, volgens de verbitterde eigenaresse van de trouwboetiek, later via haar brievenbus de winkel in vloeit. En zodra het even kan ga je door, naar een betere plek. Nederlanders wijken uit naar Ypenburg, Somaliërs naar Londen.

En ook: kleine huisjes, kale deurposten, vergeeld reliëfbehang

Maar het hart van Spoorwijk, gebaart Cicero, is onveranderd. Kleine arbeidershuisjes met kale deurposten, vergeeld reliëfbehang en figuratief porselein in de vensterbank. Het is de kluwen nauwe straatjes in het midden: de Beetsstraat, de Oltmanstraat, de Potgieterstraat, waar hij ook woont. Hier gaan de bankstellen ’s zomers naar buiten, de kliko’s met Oud en Nieuw op het vuur. Een bewoner met een restpartij sloophout haalt de halve straat over tot de aanschaf van schuttinkjes in de voortuin – of ze af komen is de vraag.

Dit zijn straatjes waar buren elkaar ‘echt kennen’. Waar de touwtjes steevast door de brievenbus bungelen, waar rekeningen soms gezamenlijk worden afgelost, „anders waren we allemaal al op straat gezet”. Het zijn de straatjes die de deelnemers van de uit de hand gelopen Zwarte Pieten-demonstratie op het Malieveld leveren, maar waar ook de blanke buurvrouw een kerstkaart van haar Marokkaanse overburen krijgt en waar jongens met Turkse, Surinaamse en Nederlandse roots in één koffiehuis Eredivisievoetbal kijken.

Inwoners van Spoorwijk komen voor elkaar op. Een fietsendief krijgt de hele straat op z’n dak. Wie racistische taal uitslaat, kan rekenen op „een paar luppen om het af te leren”. Maar ook ex-buurtagent Dick las zijn doodvonnis vorig jaar op muren in de wijk. Want als Spoorwijkers ergens een hekel aan hebben, is het aan gezag. Met oplopende aversie: de gemeente, het Binnenhof, de EU, Vestia, de politie.

Op deze straatjes heeft de politie nauwelijks grip, al dertig jaar niet. „Een mens moet z’n kinderen toch te eten geven”, zegt Cicero, „er is hier altijd geld tekort”. Dus vullen sommige bewoners hun uitkering aan met „klusjes”, „handeltjes”, „hand- en spandiensten”.

Eigenrichting is hier de norm, zegt ook justitie. Bij een arrestatie komen bewoners met tientallen in verzet. Politie in burger wordt herkend aan nummerborden met ‘HKZ’. En als een jongen op de vlucht via de kruipruimtes verdwijnt, zal geen buurtbewoner hem verlinken. Want, doceert Cicero: „Een Spoorwijker schijt niet in z’n eigen nest.”

Politie en justitie openden de jacht op criminele organisaties in de wijk. De Quote-jongens, de drugsdealers op het plein. Daar moet Cicero om lachen. Crimineel, oké. Maar organisatie? Niets is hier georganiseerd. Misdaad niet, relaties niet, kinderen niet. „Het komt op je pad.”

    • Freek Schravesande
    • Carola Houtekamer