Zwart-wit

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Mijn buurman groeide op in St. Louis. De stad is spreekwoordelijk voor Middle America, het grote anonieme gebied tussen de twee kusten waar de „gewone” Amerikaan woont. Maar nu is zijn geboorteplaats ineens over de hele wereld bekend. Nadat een blanke politieagent de achttienjarige zwarte Michael Brown had doodgeschoten in de voorstad Ferguson, zijn er al meer dan een week rellen, waarin de overwegend zwarte bevolking tegenover tot de tanden gewapende politietroepen staat.

Het is niet voor het eerst in de geschiedenis dat zijn geliefde St. Louis op zijn kop staat door rassenrellen. In 1917 was er een week lang opstand na het gerucht dat een witte man vermoord was door een zwarte man. Deze opstand, een van de ergste rassenrellen in de geschiedenis van Amerika, kostte circa 300 mensen het leven. In 1949 brak de hel opnieuw uit, toen het openbare zwembad, Fairgrounds Park, de deuren opende voor zwarten. 5.000 mensen gingen gewapend met honkbalknuppels de straat op.

Dat juist St. Louis een brandpunt van raciale spanning is, is geen toeval. Het is een van de meest gesegregeerde steden in de Verenigde Staten. Zwart en wit leven langs elkaar heen. „Toen ik opgroeide, was alles officieel gescheiden”, vertelt mijn buurman. „In de bioscoop waar ik met mijn vrienden heen ging, waren zwarten een week per jaar welkom. Brotherhood Week heette dat. Meestal bleven wij dan thuis.” Hij heeft The New York Times voor zich liggen, waarin de rassenrellen voorpaginanieuw zijn.

„Toen ik opgroeide kende ik één gekleurd persoon. Dat was Willy Brown, onze huishoudster. Elke ochtend stipt om half acht kwam ze binnen met een tasje waarmee ze naar de kelder verdween. Even later kwam ze boven in een keurig gestreken wit schortje. Pas als wij gegeten hadden, ging ze naar huis, met dat tasje en haar schortje. Elke andere vrouw van haar leeftijd noemde ik keurig mevrouw, maar haar noemde ik bij de voornaam, Willy. Mijn hele jeugd lang deed ze mijn was, ruimde mijn rommel op en kookte mijn eten. Niets wist ik van haar. En ik vroeg er nooit naar. Later begreep ik dat ze een alleenstaande moeder was met vijf kinderen. Die besteedde ze uit, om bij ons haar inkomen te verdienen. Het heette dat mijn familie haar goed behandelde. Ze kreeg extra geld met Kerst.”

Hij vertelt van een vriend die eenzelfde ervaring had. De enige zwarte man die hij kende was Eddy de buschauffeur – een zachtaardige man, die elke ochtend een bus vol witte kinderen naar school bracht en ze ’s avonds weer afleverde. Tussendoor werkte Eddy in zijn vaders groentewinkel. Op een dag had de vader een beeld gekocht van vissende zwarte kinderen om de voorkant van zijn winkel, die ook nog eens Witte’s Country Store heette, enig cachet te geven. Omdat het beeld nogal duur was en de vader vreesde dat het gestolen zou worden, ketende hij het met een grote ketting rond de voeten vast aan de lantarenpaal voor de winkel. Die dag was de eerste en enige waarop Eddy, diep geschokt, zijn stem verhief en zijn baas aansprak.

„Ik moet deze dagen vaak denken aan de honkbalwedstrijden van mijn jeugd”, zegt de buurman, terwijl hij de foto’s van de rellen in de krant bekijkt. „Er was een speciaal vak voor de zwarte toeschouwers, recht tegenover ons. In mijn herinnering keken ze ons aan met een versteende blik. Deze week zag ik dezelfde blik in de ogen van de demonstranten.”