Het nieuwe leven van Ko Kroes

Ko Kroes (93) had het goed voor elkaar. Lieve buren die hem elke dag eten brachten, een mooi uitzicht en een prachtig huis. Tot de corporatie de traplift weghaalde en hij moest verhuizen. Zijn nieuwe huis is „veel te groot”.

Als Ko Kroes ’s middags zijn ommetje maakte, haalde hij soms het centrum van de stad. Dan ging hij op het bankje van Bloemenhuis Mies zitten om uit te rusten. Hij kon er tijden zitten, kijkend naar de passerende mensen. Het gebeurde weleens dat er een bekende langskwam, dan maakte Kroes een praatje. De bloemist vond het niet erg dat Kroes zolang op zijn bankje zat, die wist dat het voor hem het mooiste moment van de dag was.

Het is mei 2014 en Ko is al maanden niet meer bij het bankje van de bloemist geweest. Sinds de woningbouwvereniging de traplift uit zijn flatgebouw haalde, kan hij de deur niet meer uit. De traplift was het enige dat hij nodig had. Lopen gaat prima met een rollator, maar de trap af lukt niet vanwege problemen met zijn rug. En dus zit Ko boven en de deur naar buiten is beneden. Ko zit sinds januari ‘vast’ op de tweede verdieping.

Zijn zoon Rob heeft nog geprobeerd om zijn vader naar beneden te krijgen. Eerst met een elektrische trappenklimmer – een soort steekwagen voor een rolstoel. Ze haalden vier treden, toen moesten ze terug. De klap bij iedere trede deed Ko te veel pijn in zijn rug. Ze hebben nog geprobeerd om hem naar beneden te tillen, met drie man. Ook dat ging niet.

De traplift gaf te veel problemen, zei de woningbouwvereniging. Dan deed het liftje het weer eens niet en moest er een monteur worden ingehuurd. Die zei dan dat hij nieuwe onderdelen nodig had, en die moesten helemaal uit Zweden komen. Het onderhoud was gewoon te duur.

Zoon Rob ging alle opties wel tien keer af. Een rechtszaak tegen de woningbouwvereniging om de lift terug te eisen? Levert een hoop gedoe op, en een uitspraak duurt lang. Misschien wel te lang voor de 93-jarige Ko.

Zelf een nieuwe lift kopen dan? Duur, en dat kan niet eens, want het gebouw is van de woningbouwvereniging. Rob dacht zelfs over een kraan waarmee zijn vader via het raam naar buiten kon worden getakeld. Maar dat was ook geen oplossing voor de lange termijn. Er bleef maar één optie over: verhuizen.

Maar Ko wil niet verhuizen. Hij woonde nog nooit zo mooi als nu, in mei. Twaalf jaar geleden verhuisde hij naar de Korenbloemlaan in Vlissingen en wilde er nooit meer weg. Vanuit zijn flat kijkt hij uit op een grasveldje. Iedere dag komen er wel wat jongens een balletje trappen. Tussen het grasveldje en Ko’s venster is een beek en een straat, allemaal te zien vanuit de kamer. Hij ziet eendjes, fietsers. Naast de beek staat een grote eik. „Zo’n mooi uitzicht heb ik in geen ander huis gehad.”

Marinier op zee

Aan de muur keurig opgehangen foto’s van zijn kinderen en van schepen op zee. Op het dressoir staat een rijtje medailles, uit de dagen toen Kroes als marinier op zee voer.

Recht onder hem, op nummer 12, wonen Wouter Koelewijn en zijn vrouw. ’s Ochtends brengen ze de krant naar boven. Tussen de middag komen ze langs met een kopje soep, ’s avonds koken ze warm eten voor hun bovenbuurman. „Ik heb het getroffen hoor, met zulke goede buren”, zegt Ko. „Het is maar de vraag of ik die op een andere plek ook krijg.”

Kroes verschuift de afstandsbediening op het tafeltje naast hem zo dat die precies parallel ligt aan de krant. Binnen is niet zo veel te doen.

Zijn dagen beginnen om zeven uur. Dan neemt hij een tabletje dat voor hem klaarligt – waar het voor is, weet hij niet – en gaat hij ontbijten. Muesli met melk, altijd. Als de onderburen de krant binnenbrengen, gaat hij in zijn stoel zitten. Daar komt hij de rest van de dag niet meer uit.

Eerst de nieuwspagina’s over Zeeland, dan het landelijke nieuws en dan de mooiste pagina: die met de kruiswoordpuzzel. Hij is er twee uur mee bezig. Meestal is hij net klaar als de thuiszorg langskomt met twee sneetjes brood. Zijn die op, dan doet Ko de ogen maar weer dicht.

Toen hij de deur nog uitkon, haalde zijn zoon Rob hem weleens op met de auto. Dan maakten ze een mooie rit of reden ze naar het huis van Rob. Scheen de zon, dan zat Ko de hele middag in de tuin.

Hij ging naar de golfclub, eens in de veertien dagen. Daar kent hij wat mensen en kennen mensen hem. Dan haalden ze hem op met een busje en zetten ze hem af bij de kantine. Daar las hij dan de krant en dronk hij een kopje koffie.

Maar nu, in mei, is zijn wereld kleiner. Als hij ’s middags tegen vijven zijn ogen opent, zet hij de televisie aan. Veel is er dan niet op tv, maar meestal heeft Eurosport wel wat, atletiek of zo. En de BBC zendt overdag weleens snookerwedstrijden uit. Zolang het sport is, is het voor Ko wel goed.

De onderburen zetten tussendoor warm eten op tafel en iemand van de thuiszorg komt nog wat opruimen. Dat zijn de momenten waarop Ko even met iemand kan praten, al is het kort. Rond half twaalf kruipt hij het bed in, slikt een slaappilletje en is weg. Ko heeft dan een uur of twaalf in de stoel bij het raam gezeten.

Hij moest wel verhuizen

Ko weet het wel, de verhuizing uit zijn mooie woning is onvermijdelijk. „Ik moet het doen, anders kom ik nooit meer buiten. En stel dat er brand uitbreekt.”

Maar Ko ziet er enorm tegen op. Het oude huis moet leeg, het nieuwe moet vol, er moet van alles worden geregeld. Ko kan het niet zelf en wil het zijn zoon niet aandoen. Hij heeft weliswaar nog vier andere kinderen (hij had er zeven, twee zijn overleden), maar die wonen aan de andere kant van het land en in Curaçao.

Alleen Rob woont in de buurt, in Middelburg, op een kwartiertje. Het zal erop neerkomen dat Rob het meeste werk zal doen. Rob zegt dat het geen probleem is, maar kan zijn vader niet overtuigen. Ko wil zijn zoon niet tot last zijn.

Even zwaaien naar de slager

Eind mei is Ko Kroes voor het eerst in vier maanden buiten geweest. Hij had zich neergelegd bij de verhuizing, maar eerst wilde hij zijn nieuwe woning zien, voor hij tekende, koste wat het kost. Dus moest hij de trap af.

Eigenlijk ging het niet. Ko had enorme pijn aan zijn rug, ondanks de ondersteuning van twee zoons. Beneden moest hij meteen een rolstoel in. Lopen kon hij niet meer. De trap weer op deed nog meer pijn. Eenmaal bij zijn voordeur kon Ko niet meer bewegen.

Maar eindelijk was hij weer buiten geweest. „Vond-ie geweldig”, zegt zoon Rob. „Het zonnetje was heerlijk, hij maakte grapjes.” Op Ko’s verzoek zijn ze langs de slager gelopen. Even zwaaien, net als vroeger.

Zijn nieuwe woning zit op de begane grond van het Woonzorgcentrum Theo van Doesburg – geen verzorgingshuis, wel een appartementencomplex met ouderen die wat hulp nodig hebben. Kroes kijkt uit op een straat. Weliswaar geen grasveldje met spelende kinderen, geen beekje met eendjes en geen mooie grote boom, maar er fietst tenminste nog eens iemand langs.

Wie er naast hem woont, weet hij nog niet. De onderburen van de Korenbloemlaan in elk geval niet. Hij zal de dagelijkse bezoekjes gaan missen, zegt hij. In het wooncentrum kent hij niemand en er wonen alleen maar oude mensen. „Maar ach, misschien kan ik in de eetzaal iemand eens aanspreken.”

Kippenpoten

En nu is hij dan verhuisd, het is juli. Op het aanrecht liggen twee kippenpoten van de slager. Het zijn de eerste boodschappen die Kroes in zeven maanden zelf heeft kunnen doen.

Met zijn rollator is hij de deur uitgelopen, daar is hij de scootmobiel ingestapt en naar de slager gereden. Op de hoek heeft hij een praatje gemaakt met een vader die zijn zoon leerde fietsen. Toen is hij met de kippenpoten in zijn mandje teruggereden. Eentje is voor vanavond bij de tv, de ander is voor morgen, bij de krant.

Sinds Kroes is verhuisd kan hij weer naar buiten. Er is geen trap meer naar buiten. Maar de verhuizing was zwaar.

Twee dagen voor Kroes de sleutel kreeg, eind mei, viel hij in zijn oude huis op zijn rug. In een laken is hij de trap afgetild door vier man, de ambulance in. Twee weken lag hij in het ziekenhuis, daarna twee weken in een revalidatiecentrum. Met morfinepleisters op mocht Kroes uiteindelijk naar huis.

Maar huis was niet meer zijn vertrouwde plekje aan de Korenbloemlaan. Huis was een onbekend appartement met grote, witte kamers in een gebouw met oude mensen. Zijn zoons hadden zijn schilderijen van schepen op de woeste zee aan de muur gehangen om het zo herkenbaar mogelijk te maken, maar Kroes herkende niets. „Waar ben ik?”, vroeg Kroes. „Je woont hier”, zei zijn zoon.

De laatste dagen gaat het beter. „Ik weet nu precies waar ik ben.” Kroes zit in zijn oude stoel. Hij heeft de tuindeuren opengezet en kijkt naar de auto’s, fietsers en wandelaars die langskomen. Als er iemand op de stoep loopt steekt Kroes zijn hand op, veel mensen groeten terug. „Het begint te wennen hier.”

Veel luxer

Op zijn nieuwe plekje woont Ko zelfstandig, met af en toe een beetje hulp. Eigenlijk net zoals op zijn oude stek, alleen regelde hij toen meer zelf – zoals de overheid het zo graag heeft.

Het is allemaal wat groter en luxer dan zijn oude huisje. Er is een hal met een voordeur die opengaat als je op een knopje drukt, een badkamer met handgrepen aan de muur en een ruime woonkamer met open keuken. „Eigenlijk is het veel te groot en te luxe”, zegt Kroes.

Dat Kroes weer ommetjes kan maken en zelf boodschappen kan doen, vindt Kroes het mooiste aan zijn nieuwe leven. Wat hij mist is mensen om zich heen. „Ik ken hier niemand.”

Aan de Korenbloemlaan woonde Kroes (93) tussen gezinnen met kinderen en had hij de onderburen, elke dag. Nu komen ze één keer per week en wonen er alleen oude mensen om hem heen. Als hij in het restaurant eet gaat hij liever alleen zitten. Behoefte om oude mensen te leren kennen heeft Kroes niet zo.

Ko Kroes heeft het „best leuk” op zijn nieuwe plek. „Maar”, zegt hij, „aan het andere was je gewend hè.”

    • Tom Vennink