Aristoteles zou de speech van de minister waarderen

De minister van Buitenlandse Zaken paste in zijn emotionele speech (on)bewust de klassieke regels van de retorica toe, vindt Casper de Jonge.

illustratie veronique de jong

Frans Timmermans maakte op 21 juli diepe indruk met zijn toespraak voor de VN Veiligheidsraad. Vier dagen na de vliegtuigramp in Oekraïne, waarbij 298 doden vielen, drong de minister van Buitenlandse Zaken er krachtig op aan dat de lichamen van de slachtoffers naar huis zouden worden gebracht. Waarom wekte deze speech zoveel bewondering?

Kenners van de Nederlandse debatcultuur, onder wie Roderik van Grieken van het Nederlands Debat Instituut, wezen terecht op de verzorgde opbouw van de toespraak, de emotionele voordracht, en de persoonlijke toon die de minister koos. Inderdaad was Timmermans voor Nederlandse begrippen ongewoon welsprekend. Maar er is een diepere verklaring voor het succes van zijn toespraak: de minister hield zich perfect aan de regels van de klassieke retorica.

Volgens de Griekse filosoof Aristoteles (vierde eeuw v. Chr.) moet een spreker zijn publiek op drie manieren overtuigen: door logische argumenten te presenteren, door een positief beeld op te roepen van zijn eigen persoonlijkheid, en door emotie op te wekken bij zijn publiek. Minister Timmermans beheerst al deze middelen, maar vooral in het oproepen van emotie (pathos) slaagde hij met vlag en wimpel.

In zijn Retorica legt Aristoteles uit dat geëmotioneerde toehoorders een bepaalde ‘ommekeer’ ervaren, waardoor zij tot een ander oordeel komen dan wanneer zij hun gevoelens onder controle hebben.

Tot de meest effectieve emoties in de retorica behoren boosheid, verontwaardiging en medelijden. Volgens Aristoteles roept het leed van een slachtoffer meer medelijden op als het heel dichtbij komt. We hebben vooral medelijden met degenen die op ons lijken in leeftijd, afkomst, en status: mensen in wie we ons gemakkelijk kunnen verplaatsen.

Wie medelijden wil oproepen, moet volgens Aristoteles benadrukken dat onschuldige mensen een dergelijk leed niet hebben verdiend. Wat kort tevoren gebeurd is, grijpt ons meer aan dan wat zich een tijdje geleden heeft afgespeeld. Daarom moeten sprekers de gebeurtenissen voor onze ogen oproepen door een pakkende voordracht, handgebaren en het vertoon van ‘kledingstukken van een slachtoffer’: dan wordt het leed pas werkelijk tastbaar.

Onbewust of bewust paste minister Timmermans deze klassieke regels heel precies toe. Hij sprak niet alleen zijn afschuw uit over het leed van de slachtoffers, maar wekte ook sympathie op bij de nabestaanden. Zo vermeldde hij de geruchten over lichamen die zouden zijn verplaatst en bezittingen die zouden zijn geroofd.

Hij vroeg zijn toehoorders zich te verplaatsen in de partners van de slachtoffers: „Just imagine that this could be your spouse.”

Hij benadrukte de onschuld van de slachtoffers, gewone mensen met wie iedereen zich kan identificeren: „Men, women and a staggering number of children (...) on their way to their holiday destinations, their homes, loved ones, their jobs or international obligations.”

En dan de climax: de minister concretiseerde het leed van de nabestaanden met het schrijnende voorbeeld van een trouwring die van de vinger van een slachtoffer werd afgenomen. Daarbij pakte hij even de ringvinger van zijn linkerhand vast. Dit oprechte handgebaar kwam ongetwijfeld uit het hart, en niet uit een handboek van Aristoteles. Maar de filosoof zou het zeker gewaardeerd hebben.

Toespraak Homerus’ Ilias

Het leed van de slachtoffers en nabestaanden van de vliegtuigramp is gruwelijk, en kan niet worden vergeleken met dat van anderen. Maar het betoog van Timmermans zouden we wel kunnen vergelijken met een beroemde toespraak uit Homerus’ Ilias (achtste eeuw v. Chr.). In dat epos doet de Trojaanse koning Priamus een dringend beroep op het medelijden van zijn tegenstander Achilles.

Deze Griekse held heeft Priamus’ zoon Hector gedood en zijn lichaam vreselijk toegetakeld voor de muren van Troje: deze scène is in enkele media al in verband gebracht met de gebeurtenissen na de vliegramp.

Priamus komt in het Griekse kamp om teruggave van het verminkte lichaam smeken. Zijn smeekbede bevat alle kenmerken van een ontroerende en mede daardoor overtuigende redevoering. Priamus herinnert Achilles aan zijn eigen vader, die ver weg op de terugkeer van zijn zoon wacht.

Zo wordt Achilles uitgenodigd zich te verplaatsen in het droevige lot van zijn tegenstander. Priamus raakt een gevoelige snaar: „Hij wekte bij Achilles de drang op om te wenen om zijn vader.” De Trojaanse koning overreedt de Griekse held en krijgt Hectors lichaam mee naar huis.

Priamus vroeg om het lichaam van zijn zoon, Timmermans drong aan op de terugkeer van zijn landgenoten. De koning richtte zich direct tot zijn tegenstander, de minister richtte zich tot een internationale raad. In beide gevallen waren de lichamen van de overledenen respectloos behandeld. Beide sprekers nodigden hun toehoorders uit om zich te verplaatsen in de situatie van de nabestaanden.

Pathos als overtuiging

De smeekbede van de Trojaanse koning had effect, net als de toespraak van de Nederlandse minister — de Veiligheidsraad stemde unaniem in met de ingediende resolutie. Pathos kan immers een bijzonder effectief overtuigingsmiddel zijn. Homerus wist dat al, Aristoteles legde het uit en minister Timmermans bracht de retorische theorie op virtuoze wijze in de praktijk.

    • Casper de Jonge