Waarom Irak niet werkt, en IS wel

Irak bestaat uit een wirwar van loyaliteiten zonder samenhang. Dat geeft IS de wind in de zeilen, denkt Yourai Mol.

De opkomst van IS in Irak is een bijzonder verhaal. Het begon met een militante groepering in Irak die tegen de Amerikaanse invasie vocht. In 2011 sprong het in het machtsvacuüm in Syrië, vanwaar het in 2013 weer teruggejaagd werd door andere Syrische rebellengroeperingen, die in de extremistische ISIS een nog gevaarlijker vijand zagen dan de oude dictator. In Irak werd ISIS aanvankelijke afgehouden door sunnitische clans met steun van de VS en de Iraakse overheid – totdat de sunnitische minderheid zich bedrogen voelde door de shi’ietische Maliki-regering. ISIS zag de kans schoon, kreeg hulp van lokale groeperingen die ontevreden waren over de regering, en drong het Iraakse leger terug. Een gecompliceerde geschiedenis, die de schrijnende zwakte van de natiestaat in de regio aantoont.

Voor het Westen is het Midden-Oosten een wespennest: de ‘good guy’ van vandaag is de ‘bad guy’ van morgen. Door de opkomst van IS lijkt Assad opeens zo slecht nog niet. Militante clans kunnen vandaag de regering steunen en zich morgen bij IS aansluiten. Ondertussen zwemmen de VS rond in de regio als een bipolaire goudvis: de lessen van gisteren lijken vandaag weer vergeten, en als steun aan de ene partij averechts effect oplevert, wordt morgen de tegenstander gesteund.

Door de wirwar van loyaliteiten die weinig met nationaliteit te maken hebben, zijn groeperingen flexibel, en onvoorspelbaar. Wanneer de loyaliteit van burgers niet primair nationalistisch, maar etnisch of religieus is, kunnen expansieve groeperingen als IS zich flexibel dáár naartoe bewegen waar ze steun vinden bij eengelijkgestemde (en liefst ontevreden) bevolking.

Zulke groeperingen trekken zelf ook makkelijk de grens over als de situatie verandert. IS vecht ideologisch gezien geen Syrische of Iraakse strijd – Tegen wélke overheid wordt gevochten is een vraag van opportunisme. Maar de Iraakse regering gaat wél uit van de eigen natiestaat en opereert binnen haar grenzen. En ook voor het Westen blijft de regering het uitgangspunt om internationale politiek te bedrijven. Dus moet de desintegratie van Irak uit alle macht voorkomen worden.

Maar deze halsstarrigheid is nauwelijks nog vol te houden, want de Iraakse multiculturele natiestaat is zeer problematisch. Wanneer de natie te zwak is om de bevolking te verenigen (als ‘Irakezen’) is het bij elkaar houden van sunnieten, shi’ieten en andere geloofsgroepen alleen mogelijk onder dictatoriale druk.

De Engelse filosoof Thomas Hobbes stelde in de zeventiende eeuw dat de legitimiteit van de overheid ontleend wordt aan het sociaal contract: een stilzwijgende afspraak die alle burgers met elkaar maken om, omwille van vrede en veiligheid, gereguleerd te worden door een overheid. Hobbes’ theorie is nauw verwant met nationalisme. Immers, wie de overheid ziet als een overeenstemming tussen burgers, creëert ook nationale samenhang. De bewaker van veiligheid is de overkoepelende overheid.

Wat Hobbes betreft faalt Irak dus op twee fronten: de nationale samenhang ontbreekt, en de overheid faalt in haar rol als veiligheidsbrengende politieagent. Dit maakt dat stabiliteit onder de verdeelde Iraakse bevolking lastig te realiseren is – en dat geeft militante groeperingen als IS de wind in de zeilen.

    • Yourai Mol