Mekkerende schapen bij breekbare akkoorden

De Materie van Louis Andriessen opent in de regie van Heiner Goebbels de Ruhrtriënnale. Foto Wonge Bergmann

De hal van de Kraftzentrale is zo groot dat je niet meteen in de gaten hebt dat een kudde schapen het toneel heeft betreden. Tientallen schapen, levend en wel. Ze duiken op uit de nevelen, schitterend uitgelicht, gehoed door een witte zeppelin.

Het tafereel werkt aanvankelijk op de lachspieren, maar duurt te lang om grappig te blijven. Wat beklijft is een surrealistisch en magisch beeld: een kudde schapen die door een fabriekshal doolt, terwijl het orkest breekbare akkoorden speelt. Nu en dan klinkt goed getimed gemekker.

Voor het eerst sinds de première in 1989 wordt De Materie, het magnum opus van Louis Andriessen, geënsceneerd uitgevoerd. Toen deed Robert Wilson de regie, nu is dat Heiner Goebbels. Met deze nieuwe productie van De Materie ging afgelopen weekend de Ruhrtriennale van start, waarvan Goebbels dit jaar voor de derde en laatste keer intendant is.

De Materie, Andriessens eerste grote muziektheatrale werk, is een ambitieus vierluik, dat volgens de componist dichter bij de symfonie dan bij de opera ligt. De delen corresponderen ongeveer met die van een symfonie. Er wordt veel gezongen, door sopraan, tenor en vooral door een koor van acht solisten, maar van dramatische ontwikkeling is geen sprake. Andriessen heeft zeer uiteenlopende teksten bijeengebracht die op een of andere manier raken aan de menselijke omgang met het stoffelijke, zoals het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, waarmee de Staten-Generaal zich losmaakte van de Spaanse kroon, een geschrift over scheepsbouw uit de Gouden Eeuw, maar ook teksten van Madame Curie en een visioen van de dertiende eeuwse mystica Hadewijch over de lichamelijke eenwording met God.

Door de grote omvang en het ontbreken van narratief is De Materie geen gemakkelijk werk om naar te luisteren, al is de muziek vaak schitterend. De troef van deze productie is de regie van Goebbels, die op associatieve wijze indringende beelden naast de muziek plaatst, zonder een interpretatie op te dringen. Daarbij wordt optimaal gebruikgemaakt van de diepte van de hal en speelt het overrompelende lichtplan van Klaus Grünberg een belangrijke rol.

Het tweede deel, Hadewijch, baseerde Andriessen op de plattegrond van de kathedraal van Reims. Het bühnebeeld alterneert hier tussen een subtiele choreografie van schuifelende menselijke pilaren en een wit uitgelichte Hadewijch, als een kaars in de nacht. In het derde deel, De Stijl, zijn het lichtgevende bollen aan robotarmen die swingend dansen en telkens van kleur verschieten – de primaire kleuren, met een knipoog naar Mondriaan.

De partituur van De Materie is een staalkaart van Andriessens kunnen vóór hij rond de eeuwwisseling een nieuwe weg insloeg. Strenge componeerregels, die door de luisteraar nauwelijks worden waargenomen en die door de componist, wanneer het hem uitkomt, gretig aan zijn laars worden gelapt, leiden tot hamerende akkoorden, ronkende bassen, een pompend orkest, lyrische zanglijnen, uitgekiende harmonieën van betoverende schoonheid en dampende boogiewoogie. Vooral ritmisch is de muziek zeer uitdagend; enkele ongelijkheden daargelaten werd zij uitstekend gespeeld door het Ensemble Modern Orchestra onder Peter Rundel.

    • Joep Stapel