In onze buurt

Dit is het dan: het winnende verhaal van De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Gistermiddag werd Derk Fangman op het Lowlands-festival uitgeroepen tot winnaar, vandaag lees je hier zijn verhaal.

illustratie jenna arts

Midden in de nacht word ik wakker van oma, die boven op mijn borst is gaan zitten. Ze houdt een dik schrift in haar handen geklemd. Er kleven pindakaasresten aan haar lippen en haar ogen glimmen als de steentjes op ons grindpad na de regen. Oma is hartstikke dement.

Ze zegt: ‘Gefeliciteerd, jongen.’

Dit is goed nieuws. Op sommige dagen weet ze niet eens wie ik ben. Dan stelt ze zich wel tien keer aan me voor: ‘Mijn naam is Dickie Knap,’ zegt ze als ik haar tegenkom in de keuken, of op de trap naar boven. ‘Mijn naam is Dickie Knap, maar ik ben dun en lelijk.’

Zelf heet ik Daan. Dit is niet kort voor Daniël. Vroeger hadden de kinderen in onze buurt misschien langere namen. Bekakter. Dubbele namen met een streepje ertussen. En sommige kinderen, uit andere buurten (aan de andere kant van het spoor) denken dat nu soms nog steeds.

Mijn naam is Daan. Volgens mijn moeder hebben de kinderen in onze buurt één lettergreep.

In onze buurt heb je sowieso een hond. Honden in onze buurt krijgen twee lettergrepen. Onze hond is een bruine labrador. Onze hond is autistisch (daarom mag hij op de bank). De naam van onze hond is Tristan. Dit spreek je uit op zijn Frans.

Oma duwt het schrift in mijn handen. Het is een mooi schrift met een ingebonden kaft.

Ze zegt: ‘Alles opschrijven. Je mag niets vergeten.’

Dit is het eerste wat ik schrijf: Alleen in onze buurt heb je autistische honden.

En daarna mijn naam. Mijn naam is Daan.

Mijn verjaardag. We zitten op het terras in de tuin. Papa, mijn zusje (Fleur), oma, en ik. Na het ontbijt is er taart. De taart is bevroren, maar dat is niet erg. Als mama vanmiddag wakker is eten we hem met z’n allen op. De kaarsjes blaas ik alvast uit. In één keer natuurlijk.

Papa kijkt naar het bord van mama. Hij prikt met zijn vork in zijn kin.

Hij zegt: ‘Voor jullie moeder is de NRC een ochtendkrant.’

Ik schrijf dit op over papa: 1. Toen hij per ongeluk schatrijk werd kocht hij een groot huis op een heuvel in onze buurt. Daarna kreeg hij spijt.

2. Hij noemt alle buren: Witte Konijnen.

3. Tegen mijn zusje en mij zegt hij dat we arm zijn. Wij weten dat dit onzin is.

4. Hij kocht een Range Rover. Hij kreeg weer spijt.

5. Hij zou liever in de stad wonen dan in onze buurt.

6. Hij plakt zijn auto vol met stickers (‘Ik rem voor dieren, ik stem op dieren.’ En: ‘Stop schaliegas!’).

7. Het blijft een dure auto.

8. Hij meldde zich aan als vrijwilliger bij Greenpeace. Hij kwam in het kanoteam.

9. Bij de eerste oefening parkeerde hij zijn auto uit schaamte een half uur lopen van de rivier. Hij moest een heel stuk over een mossige helling. Hij gleed uit en scheurde zijn voorste kruisbanden.

10. Hij stopte met Greenpeace.

11. Hij bestelde zonnepanelen voor op het dak van het huis. Nu maken de Witte Konijnen zich zorgen over het beeld van de buurt.

12. Mijn vader zegt heel vaak: ‘Ik ben een non-conformist.’ Soms ook voor de spiegel.

Als ik mijn cadeau uit wil pakken, zegt papa: ‘Eerst je moeder een kus geven.’ Dus ik ga naar boven.

Alleen vanaf haar neus komt ze boven de dekens uit. Op haar nachtkastje staat een fles met een doorzichtig goedje op de bodem. Dit noemt zij hoestdrank.

Ze zegt: ‘Bak eens wat eieren met kaas voor me, wil je.’

Ik vertel haar dat de eieren op zijn.

Ik zeg: ‘Vandaag is mijn verjaardag.’

Ze zegt: ‘Dan bak je alleen de kaas.’

Als al mijn verjaardagsbezoek is vertrokken komt mama uit bed. Het is mooi weer en we zitten in de tuin. De taart is ontdooid. De meesten van ons vinden de taart lekker.

Mama zegt: ‘Ik kan wel wat sterkers gebruiken.’

En ze verdwijnt in de keuken.

Papa kijkt haar na. Hij zegt: ‘Er zijn vrouwen die perfect zijn, en dat is ook strontvervelend.’

Oma knikt. ‘Mijn naam is Dickie Knap,’ zegt ze, ‘maar ik ben dun en lelijk.’

Mama en papa gaan nooit samen uit. Mama zegt dat het komt door het meisje dat dan op ons moet passen. Volgens mama is onze oppas een hoer. Volgens papa valt dat mee.

Mama zegt dat je aan haar schoenen kan zien welke kleur haar onderbroek is die dag.

Papa zegt: ‘Wat een onzin. De vorige keer droeg ze niet eens schoenen.’

Mama staat met haar rug naar ons toe. Ze kijkt naar de tuin. Ze haat de tuin.

Onze tuin is dor en leeg. Ook al hebben we elektrische sproeiers. Volgens papa komt dat doordat ons huis niet aangesloten is op de riolering. Ons huis was hier als eerste van de buurt. Maar we hebben geen riolering. We hebben wel een tank onder de grond, die eens per jaar door de gemeente wordt geleegd. We wonen in een mooi huis op een heuvel, maar in onze tuin wil helemaal niets groeien.

‘Gedrocht,’ zegt mama tegen de tuin.

Ik luister alleen maar naar de tuin. Naar de vogels en het ritselen in de wind. Naar de sproeiers. Het is vier uur ’s middags en daarboven hangt de zon. De zon is een spin. Hij klimt door zijn blauw-witte web naar beneden.

En vanuit de kelder klinkt het gekrijs van mijn broer.

Ik heb een broer.

Ik heb een broer en ik schrijf dit op over mijn broer:

Mijn broer is hartstikke gehandicapt.

Hij woont in de kelder.

Als Fleur en ik het haakje van de deur schuiven, stuift onze broer als een dolle hond naar buiten, het terras op. Daar krijgt hij een uitbrander van mama. Of hij asjeblief zijn kop gaat houden. Hij gaat heel rustig aan tafel zitten en neemt een stuk taart.

Mijn broer ziet er heel raar uit. Er hangen witte vellen aan zijn lippen. Op zijn linkeroog zit een grote, vierkante pleister, met een dino erop. Zijn knieën zijn altijd geschaafd en zijn neus is groot en vormloos als een aardappel die te lang op heeft gestaan. Verder heeft hij twee lettergrepen, net als de hond. De naam van mijn broer is Eerko.

Eerko vertelt graag dat hij gehandicapt is (vaak lachend, maar ook een keer huilend).

Ook vandaag weer: ‘Ik ben gehandicapt.’

Papa verbetert hem: ‘Geestelijk gehandicapt, jongen.’

En mama, tussen twee slokken door: ‘Maar je lichaam is nou niet bepaald een masker.’

‘Nee,’ zegt mijn broer, ‘en daarom moet ik in de kelder als er bezoek is.’

‘Zo is het jongen.’

Eigenlijk moet Eerko altijd in de kelder. Behalve op vrijdag, dan brengt papa hem om half vijf ’s ochtends naar de parkeerplaats van het Bastion Hotel. Daar wordt hij drie uur later opgehaald door een wit busje. Van mama mag papa dat niet later dan half vijf doen omdat Eerko anders gezien wordt door de buren. En dat is onwenselijk, zegt mama. ’s Avonds laat haalt mijn vader hem daar weer op. In de tussentijd werkt hij bij een restaurant in de stad met meer mensen zoals hij. Brownies & Downies, heet het daar.

Omdat Eerko kwijlt, wil niemand nog van de taart. Mama zegt: ‘Gehandicapten hebben gewoon geen respect voor andermans bezit.’

En dan moet hij weer terug naar de kelder.

In onze buurt staan de sproeiers elektrisch afgesteld. Soms staan de sproeiers aan terwijl het regent. Als ik een meisje was geweest zou ik Fleur heten. Als Fleur een jongen was geweest heette ze Bart. Alle kinderen in onze buurt weten hoe ze hadden geheten als ze een meisje waren geweest in plaats van een jongen. Of andersom. Op zondag komt mijn vader alle andere vaders uit de buurt tegen bij de afhaal-Thai.

Dit allemaal omdat we in onze buurt niet houden van toevalligheden.

Op de bank met papa en Fleur. We kijken televisie. Het geluid staat hard om het geschreeuw uit de kelder te overstemmen. Op de televisie zijn beelden van een bosbrand in Australië. Een voice-over zegt dat er een ongunstige wind staat, dat de brandweer blust met helikopters. De voice-over zegt dat er veel dieren en ook mensen doodgaan.

Papa zegt: ‘Door de brand wordt de grond wel mooi weer vruchtbaar.’

Op sommige dagen is mijn vader blij met het huis.

Dan zegt hij: ‘Dit huis is net een stoomboot. En ik ben de kapitein.’

Op andere dagen gaat hij naar de stad om met makelaars huizen te bezichtigen die hij van mijn moeder niet mag kopen. Aan het einde van de dag komt hij terug. Dan zit hij uren in de kippenren achter het huis.

Hij zit op een krukje achter het gaas en de kippen scharrelen om hem heen. Hij drinkt twee of drie glaasjes jenever.

Hij zegt: ‘Als ik kon kiezen, speelde ik een instrument.’

Fleur en ik zeggen tegen papa dat we in de buurt gaan spelen. Fleur duwt haar poppenwagen voor zich uit. We lopen een half uur en dan zijn we bij het viaduct. Onder het dekentje in de poppenwagen liggen vier flessen wasbenzine en een doosje lucifers. Er steekt een ongunstig windje op. Ik zeg tegen mijn zusje dat we er bijna zijn.

Ik schrijf dit op over mama:

Mama speelt de hele nacht op haar laptop. Ze speelt World of Warcraft en ze speelt het vooral om de chatbox. Ze geeft zich uit voor een veertienjarig meisje, Lizzy, en zoekt naar meisjes van dezelfde leeftijd om hun adviezen te geven over het leven.

Fleur en ik houden ieder twee flessen vast. We staan tegenover elkaar langs de snelweg en er is honderd meter gras tussen ons. We draaien de doppen van de flessen los. We houden met elke hand een fles ondersteboven en lopen naar elkaar toe. Het gras is droog. We hoeven de strook maar aan één kant in de fik te steken. Alles brandt, de vlammen dansen, sommige auto’s toeteren. Met een hand boven onze ogen speuren we de hemel af naar helikopters.

Mijn zusje vraagt: ‘En nu?’

Ik zeg: ‘Nu wachten we op vruchtbare grond.’