Flutzaken, hoe komen we er vanaf?

Incidenteel gooit de strafrechter wel eens een zaak rechtstreeks in de prullenbak. Als zijnde te idioot om überhaupt over na te willen denken. In het vonnis staat dan dat „geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie kon oordelen dat met de vervolging van verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang (was) gediend”. Fraai giftig jargon.

De strafrechter moet zich bij dergelijke niet-ontvankelijk verklaringen beperken tot evidente misslagen. De Hoge Raad eist een uitgebreide motivering en laat ingrijpen alleen toe in ‘zeer uitzonderlijke gevallen’. Het argument is dat de wet het Openbaar Ministerie de bevoegdheid geeft letterlijk ‘zelfstandig’ te beslissen of er wel of niet vervolgd wordt. De Hoge Raad vindt dat de rechter dus grote afstand moet houden. Wanneer strafrecht wordt toegepast, en op wie, is (vrijwel) het monopolie van de officier en de politie.

Maar neem nu eens deze zaak, alweer van vorig jaar.

Stel, u bent politieman en u krijgt een zeer boze wijkbewoner aan het bureau. Er is al een poosje ruzie tussen twee buren. Een kind uit het ene gezin bedreigt een kind uit het andere, met een mes. Deze ouder is woedend over „dat kankerjong” dat „moet worden afgemaakt”. En zegt dat „als de politie het niet doet” hij zelf wel een messenblok „klaar heeft staan” en er dan „zelf voor zou zorgen”.

Wat moet een ‘redelijk handelend’ justitiefunctionaris doen? De man laten uitrazen, kalmeren, ferm waarschuwen en daarna bemiddelen in de ruzie? Maar zo ging het hier dus niet. De politie ging met de bedreiging aan de slag. Alleen telt die juridisch pas als het slachtoffer er aangifte van doet – en die wist dus van niks. Daar werd een mouw aan gepast. De politie vroeg nota bene het Openbaar Ministerie toestemming om het dreigement aan de andere buurman door te mogen vertellen. Als de bedreigde buurman dan aangifte deed, wilde het OM de boze buurman wel vervolgen. Er werd dus ter plaatse een strafbaar feit gefabriceerd, in samenspraak met justitie.

Vorig jaar oordeelde het Hof Arnhem dat dit een zuiver staaltje van een onredelijke vervolging was. Politie en justitie maakten het conflict erger. Terwijl juist deëscaleren verwacht mocht worden. Sterker nog, dat is een beginsel.

Hoe vaak zoiets voorkomt is onduidelijk. Vorige week citeerde ik hier raadsheer Buruma uit de Hoge Raad die nogal eens ‘vreemde vervolgingsbeslissingen’ bij het OM signaleerde. Hij is al jaren voorstander van een ruimere controle op het vervolgingsbeleid door de rechter. Kort samengevat: flutzaken, hoe komen we er van af?

De macht van het OM over het toepassingsbereik van het strafrecht wordt intussen almaar groter. En dus het risico op flutzaken ook.

In het Nederlands Juristenblad stond eind juni een stevig stuk van strafrechtadvocaat en onderzoeker Patrick van der Meij over de de zogeheten ZSM-methode die het OM nu landelijk invoert. Een versnelde afhandeling van eenvoudige strafzaken, op het bureau, in een aparte afhandelunit (de ‘selectietafel’) van politie, justitie, reclassering en slachtofferhulp. De verdachte komt er met een transactie of een strafbeschikking vanaf. Buiten het blikveld van de strafrechter en veelal zonder bijstand van een advocaat. Reuze efficiënt, maar intussen.

Hij vermoedt dat de kritische rol die de officier ten opzichte van de politie moet vervullen, snel zal verdwijnen. Al was het maar omdat de officier nu fysiek aan de selectietafel op het politiebureau zit. In de zaak van de burenruzie leek dat ook te zijn gebeurd. Dat ziet er dus niet goed uit. Kan een advocaat hier iets doen? Alleen door verdachten consequent te adviseren transacties te weigeren of zich tegen een strafbeschikking te verzetten. En de rechter zou meer ruimte moeten nemen om het OM te controleren.

    • Folkert Jensma