Failliete kinderopvang

Het grootste kinderopvang bedrijf van Nederland, Estro, is al jaren in handen van private investeerders. Daar zou niets op tegen zijn, ware het niet dat de geschiedenis van Estro leert dat het vooral om investeerders blijkt te gaan voor wie winstmaximalisering belangrijker is dan zo goed mogelijke dienstverlening aan ouders die de zorg voor hun kinderen gedurende een aantal uren of dagen per week aan een crèche hebben toevertrouwd. Desondanks was de bedrijfsvoering ook in economische zin geen succes. Mede door het teruglopend aantal aanvragen om kinderopvang – gevolg van de economische crisis – ging het slecht in de branche.

Estro, een bedrijf dat verspreid over het hele land voor de opvang van zo’n 30.000 kinderen verantwoordelijk was, ging in juli failliet, om meteen daarna in afgeslankte vorm een doorstart te maken. Overeenkomstig een constructie die in Nederland, met goedkeuring van rechters, steeds meer in zwang is gekomen: het flitsfaillissement. Als het aan minister Opstelten (Justitie, VVD) ligt, krijgt deze constructie, aangeduid als pre-pack, een wettelijke basis. Er ligt een voorstel bij de Raad van State die moet adviseren. Het is een onderdeel van een bredere herijking van het faillissementsrecht.

Interessant is de verwachting die de minister laatst formuleerde in antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer over mogelijk misbruik van faillissement, naar aanleiding van het bankroet van postorderbedrijf Neckerman. Opstelten achtte de kans gering dat een onderneming een faillissement zou aanwenden om goedkoop van personeel af te komen. Omdat het bestuur van een onderneming na de faillietverklaring „vrijwel buiten spel komt te staan”. De curator krijgt het immers voor het zeggen, dus hebben bestuurders van de onderneming „de gang van zaken niet langer in eigen hand”.

Was dat ook het geval bij Estro? Uit een reconstructie in deze krant bleek zaterdag dat juist het bedrijfsonderdeel van Estro dat de corebusiness was, of had moeten zijn, de kinderopvang dus, wél winstgevend was. De overhead en de huurkosten van kantoorgebouwen waren de verliesmakers. Dit riekt naar wanbeleid. Twee bestuurders, de voorzitter en de financiële directeur, mochten desondanks bonussen van enkele tienduizenden guldens ontvangen, ook al waren ze nog maar net in dienst. De voorzitter is dat nog steeds. Daar stond het ontslag – zonder vergoeding – van duizend ‘gewone’ werknemers tegenover en schuldeisers die waarschijnlijk naar hun geld kunnen fluiten. Dat is wrang. Deze gang van zaken kan niet de bedoeling zijn van het flitsfaillissement. De Raad van State, de minister en het parlement doen er daarom goed aan scherp naar het kabinetsvoorstel te kijken: misbruik van pre-pack ligt op de loer.