We zouden vanavond in Tanger zijn

Wij werkten met verschillende methoden om gestrande Nederlanders zo snel mogelijk te lokaliseren. Zo vertrouwden we bijvoorbeeld op een speciaal geografisch informatiesysteem (GIS), maar gebruikten we ook Google Streetview. Zelfs als de cliënt ons in eerste instantie niks wezenlijks kon vertellen, hadden we iemand vrijwel altijd binnen een half uur gelokaliseerd. Tot mevrouw Fatik ons belde in de ochtendshift met een duidelijke hulpvraag: ‘Ja, dag, ik heb pech, denk ik, want er is allemaal rook. Oh er is zoveel rook.’

‘Prima. En waar staat u?’

‘In Marokko.’

‘En waar in Marokko, mevrouw.’

‘Ja, dat weet ik ook niet hoor. Kunt u dat niet zien in uw computer?’

‘Nee.’

‘O.’

‘Weet u de laatste plaats waar u langs bent gereden?’

‘Nee.’

‘Waar was u naartoe aan het rijden?’

‘Tanger, wij zouden vanavond in Tanger zijn.’

‘Het is nu kwart voor tien. ’s Ochtends.’

‘Ja.’

‘Met hoeveel personen bent u?’

‘Nou gewoon, met mijn man en twee kinderen, een tweeling van anderhalf, o, en de baby.’

‘Kunt u aan iemand vragen waar u staat?’

‘Er zijn hier alleen maar bergen. De laatste keer dat ik echt iemand zag was misschien wel een half uur terug, een herder, dus ik weet niet of die daar nog is. En mijn man reed best wel hard, dat is inmiddels misschien wel vijftig kilometer terug. We hebben ook een beetje dorst, want het is heet hier. Marokko is heet.’ Dat laatste kwam er terneergeslagen uit.

In het geval van mevrouw Fatik zochten we met drie man sterk tijdens verschillende shifts. Het gezin Fatik was de woestijn in gereden zonder water en vooral voor de kinderen kon de hitte gevaarlijk zijn. Dus stelden we mevrouw Fatik elke mogelijke vraag. Hoe laat ze van huis was vertrokken, en wat de laatste plaatsnaam was die ze had gezien voordat ze het desolate gebied in reden. Of het toen al licht was of nog donker? We vroegen haar of ze misschien op haar kilometerteller kon zien hoeveel mijl ze had afgelegd, of ze had getankt voor vertrek en wat de tank had aangegeven toen ze strandde?

Het gebied waar ze vermoedelijk stonden had zelfs Google Streetview niet kunnen aantrekken als bezoeker, maar dat haar telefoon het deed, gaf ons hoop. Na uren zoeken hadden we het gebied teruggebracht tot een paar honderd kilometer en toen was het wachten op Mohammed, die om 14.30 uur begon. Hij sprak Arabisch en kon gaan bellen met de plaatselijke bergers die elk zandpad kenden. Uiteindelijk dachten we te weten waar het gezin Fatik stond en stuurden we op hoop van zege een berger. Twee uur en honderdvijftig kilometer later had hij ze gevonden, en informeerde hij ons dat iedereen tevreden met een fles water aan zijn mond stond.

Toen ik opgelucht ademhaalde, zei een collega: ‘Was je van streek? Ze rijden zelf de woestijn in zonder water. Trek het je niet te veel aan, want dit het hoogseizoen, en volgende week wordt het allemaal nog veel erger.’

    • Aukelien Weverling